Vraaggesprek met Wapenspraak en Drinkgelag
Waarvoor staat W&D?
Grimgäert:
Wapenspraak & Drinkgelag, tegelijkertijd de hamer en het aambeeld van de Oude Meesters. Een chtonische stormram die de brave goegemeente tot rochelend pulp beukt en daar nog sardonisch plezier aan beleeft ook. De boom die het hout leverde voor het kruis op Golgotha, en de dikke sigaren die verlichte geesten roken terwijl ze palaveren over een Nieuwe Wereldorde.
W&D bestaat nu reeds enkele jaren, met een naam die in de Vlaamse metalgronden op steeds meer bijval kan rekenen. Krijgen jullie het gevoel dat de groep eindelijk gerespecteerd wordt, en niet aanzien wordt als een zoveelste genre-bevlieging die probeert iets nieuws aan te boren in onze gewesten?
Grimgäert:
Och… We proberen ons zo weinig mogelijk aan te trekken van de zogenaamde “scene” en het hele
gedegenereerde circus daarrond. We conformeren ons niét, en misschien hebben we net daardoor een eigen plaats verworven. Dát, plus het feit dat W&D een heel sterk profiel en een onmiskenbare eigenheid heeft, heeft ons in de loop van de jaren inderdaad een vorm van “respect” bezorgd in bepaalde kringen. Anderzijds zijn dat ironisch genoeg net ook de kenmerken waardoor we in andere kringen verafschuwd worden. We hebben namelijk soms een nogal… “eigenzinnige”… manier van doen, en bepaalde mensen hebben het daar knap lastig mee. Wat betreft die “genre-bevlieging”: we zijn destijds met W&D begonnen toen “pagan metal” nog een obscuur niche was in het metalen landschap, met slechts een handvol kwalitatieve groepen. De recente explosie van het genre zie ik persoonlijk met lede ogen aan, omdat de kwantiteit zoals altijd de kwaliteit verziekt. Wie ons een béétje kent, weet echter dat wij niet op de trein gesprongen zijn. Integendeel – we zouden niets liever doen dan de trein te laten ontsporen om het landschap opnieuw te zuiveren. En daarenboven kun je W&D ook muzikaal moeilijk als een doorsnee “pagan” of “folk metal”-groep gaan bestempelen, nietwaar? De term “genre-bevlieging” raakt kortom kant noch wal.
Grendel:
We zijn destijds begonnen vanuit een dode hoek in ons eigen sociogenetisch perspectief. Er was geen visie op de zogenaamde scene want deze werd door ons in essentie nietig verklaard. Welk baat zouden wij vinden bij zulks een koehandel, waar zelfverklaarde pseudo-elites mekaars laatste hoorspelen trachten te versjacheren – krachteloze fantasieën uit een vilten imperium? Wat een hypocrisie! Van in den beginne betrachtten wij een zuiverder doel en streefden geen genre-technische vernieuwingen of regionale jaardoelstellingen na. Vanuit onze eigen muzikale achtergrond hebben wij altijd getracht om de ideologische inhoud en theatrale aspecten van onze live-performance tot een steeds vloeiender, coherenter en perfecter geheel te smeden; een proces dat zich tot op heden voortzet en telkens opnieuw aan vernieuwde creatieve inzichten wordt onderworpen - zonder dat de basis hierbij aan erosie onderhevig is.
Van de perceptie van W&D door het publiek ben ik me overigens maar weinig bewust. Als je de cijfers gaat raadplegen lijken onze auditieve hersenspinsels her en der best wel in vruchtbare grond uitbesteed. Maar je moet ervan houden, zullen we maar zeggen, en ik vraag eigenlijk maar zelden af wat mensen ervan vinden. Dat moet éénieder maar voor zichzelf uitmaken.
Is er eenvormigheid in de groep inzake de filosofie en gedachtegang van de groep? Of zijn er groepsleden die het gewoon doen voor de muziek?
Grimgäert:
Niémand doet het “gewoon” voor de muziek. Muziek als de onze máák je niet “gewoon” voor de muziek. Ik denk dat dat ook wel duidelijk blijkt uit de bezetenheid van onze brouwselen en – vooral - concerten. De bezieling komt voor een aantal groepsleden echter wel uit verschillende hoeken. Voor mij persoonlijk is W&D bijvoorbeeld een kanalisering van de heidense oerkracht. Het zit erin, en het moet eruit. Op een podium is de groep een marionettenspel, en de poppenspelers zijn de Oude Meesters. De muziek is dan een stormram en tegelijkertijd een roest, venijnig scheermesje. Het is allemaal bijna ritualistisch, en op momenten knettert de bezieling zó fel, dat je zou gaan denken dat de oerkrachten daadwerkelijk in je lichaam gevaren zijn. Verder over deze zaken uitweiden zou ons te ver brengen, punt is dat W&D voor mij niet kan bestaan zonder hetgeen dat onder de oppervlakte ligt te loeren. Onze bassist D.K. Skeletor (!) opereert vanuit andere denkwerelden. Zijn levensvisie is donkerder dan die van de rest van de groep, en wordt ook door andere peilers onderstut. Het opmerkelijke is echter, dat hoewel de peilers anders zijn, de bovenbouw (vergeef me de woordkeuze) op veel punten gelijklopend is. Geschaard onder de banier van het Gewei en – respectievelijk - die van de Hoorns trekken we op veel punten aan hetzelfde spreekwoordelijke touw. En vandaar komt ook de samenhorigheid en de grimmige vastberadenheid.
Grendel:
Nee, er is geen éénvormigheid, maar dat is binnen een complex concept als dat van ons eigenlijk ook helemaal niet realiseerbaar, en het lijkt me ten andere nergens voor nodig. Gezien W&D binnen zijn diversiteit lang niet zo normerend optreedt als, pakweg, een Graveland of misschien zelfs een Cruachan, kun je het totale compendium mijns inziens dan ook op verschillende manieren gaan lezen. Zowel de filosofische als de conceptuele invalshoeken zijn zeer divers en op sommige vlakken zelfs uiteenlopend, maar verlenen W&D als geheel toch zijn onmiskenbare coherentie. Juist uit de interactie van die factoren groeit immers het cultureel en spiritueel platform dat Wapenspraak & Drinkgelag is gaan heten: een broeinest van ideeën en rituelen aangaande esthetiek, studie, spirituele zelfrealisatie en gradaties van seculiere betrokkenheid; weliswaar geschoeid op Oud-Europese leest, maar geen van alle uniform.
Wordt er bij het schrijven van de teksten historische bronnen geraadpleegd? En dewelke zijn je bronnen bij het schrijven je teksten? Want ik veronderstel dat vele termen niet tot ieders parate kennis behoren?
Grimgäert:
Voorlopig hebben we slechts twee teksten die puur historische neerslagen zijn, namelijk “Als de carnyx schreeuwt” en “Sakserwoede”, respectievelijk geschreven voor klandrummer Fynnbrenn Ó Torcklàn en gitarist / onbestemd murmelaar Grendel. Mijn teksten hebben die historische basis veel minder. Ik spring enerzijds liever om met metaforen, archetypen en heidense zinnebeelden en anderzijds met de klassieke Germaanse en Keltische mythologie. Die bron lijkt me veel frisser en rijker, hoewel de historische natuurlijk harder en meer feitelijk is. Het draait dus om keuzes maken.
Grendel:
Dat laatste valt eigenlijk wel mee … De materie waar W&D naar refereert is een levenslange obsessie, waar ik ook mijn studies en mijn beroepskeuze heb naar gericht. Uiteraard raadpleeg ik mijn bibliotheek wanneer één en ander mij ontsnapt. Primaire en secundaire bronnen worden dan gebruikt, gaande van de Edda’s, De Bello Gallico van Julius Caesar, Jordanes’ geschiedenis van de Goten, de Ierse verhalen-cycli, tot analyses van patronen in het archeologische onderzoek voor een regio of een bepaalde periode, zoals bijvoorbeeld de publicaties van Barry Cunliffe of de Leidense prehistorici Harry Fokkens & Nico Roymans – ik zeg maar wat. Er zijn uitgebreide databanken over
Vlaamse en Nederlandse volksverhalen raadpleegbaar, en er is natuurlijk nog altijd het werk van de gebroeders Grimm. Inzake de psycho-analytische achtergrond blijft het verzamelde werk van Carl Gustav Jung uiteraard altijd een aanrader, hoewel niet zomaar voor lief te nemen. Ach … Er zijn de oude standaardwerken zoals bijvoorbeeld dat van Dumézil, maar ook recentere literatuur staat bol van goede inzichten – zeker wanneer je interesse uitgaat naar een meer landschappelijke benadering. Het gaat er in deze materie vooral om het kaf van het koren te scheiden en wars te blijven van de enorme massa aan populistische nonsens die over deze onderwerpen circuleert. Het komt eigenlijk sowieso neer op het opbouwen van een referentiekader in deze materie, want met het bijeensprokkelen van een paar termen en een handvol weetjes van op het internet of uit de Wikipedia realiseer je geen diepgang. Parate kennis is dus echt wel nodig. De manier waarop je dit referentiekader gaat benaderen is dan overigens een tweede punt van aandacht, maar valt verder buiten het kader van deze vraag.
Hebben je teksten ook de bedoeling om een informatieve waarde weer te geven aan de luisteraar?
Grimgäert:
Minder en minder. Zoals hoger gesteld vind ik het steeds interessanter om metaforen te gebruiken voor de oerwaarheden die de eigenlijke inspiratie vormen voor W&D. Daardoor worden de teksten misschien iets minder toegankelijk, maar dat is dan maar zo. Wie niet door de mist heen ziet, vindt de lyriek misschien “enkel” sfeervol of “fijn gevonden”.
Grendel:
Ik denk dat niemand heeft er wat aan heeft als we op een stichtelijke manier uit de hoek zouden komen. Weliswaar is het zo dat mijn interesses als jonge tienersnaak niet zelden getriggerd werden door muziek en de intrigerende lyriek die er soms aan vast hing. Maar als je écht iets over een bepaald domein van kennis te weten wil komen of jezelf wil bekwamen binnen een bepaald vakgebied, begin je mijns inziens toch beter met het lezen van een degelijk boek. Ook mijn teksten zijn tegenwoordig aan evolutie onderhevig en toch een stuk minder prozaïsch dan mijn eerste probeersels. Vormde de eerste tekst die ik ooit voor W&D schreef nog een vluchtige, wat boertig geformuleerde doorsnede van 400 jaar feitengeschiedenis uit de Noord-West-Europese Volksverhuizingen en Karolingische periode, dan spits ik me heden ten dage toch meer toe op een meer animistische benadering van (pre)historische denkbeelden of markante locaties in het landschap. Net als Grimgäert spreek ook ik steeds vaker in metaforen. Niet alleen de mythologie of de sagenwereld, maar ook en misschien zelfs vooral het cultuurhistorische landschap – in relatie tot zijn geomorfologische opbouw, de prehistorische en middeleeuwse ontginningsgeschiedenis en de daaraan gerelateerde volksverhalen – leveren hiervoor het broodnodige referentiekader.
Hoe zie je de beleving van het heidendom in Vlaanderen binnen enkele jaren tov nu? En hoe zou je hem willen zien?
Grimgäert:
Dit is een erg dubbelzinnige vraag. Want nu verwacht je natuurlijk een antwoord in de trant van: “Het heidendom móet en zál gerestaureerd worden, de maatschappij moet weer draaien volgens de oude principes en waarden en dan zullen we een allesomvattende harmonie terugvinden.” Mooi droombeeld, maar volgens mij mijlenver verwijderd van elke realiteit. Zoals de maatschappij er nu bij ligt, is er namelijk simpelweg geen plaats voor een gemeenschappelijke, heidense beleving. Alles is geperverteerd, de overgrote meerderheid van de mensen heeft geen enkele voeling meer met de klassieke waarden, weet zelfs niet eens van hun bestaan af. Het verval is veel te ver opgerukt om het nog een halt te kunnen toeroepen, en zo goed als niemand maalt daarom. Precies daarom is het mijns inziens idealistisch om - in de huidige context - te mijmeren over een algemene terugkeer van het heidendom. Ik ben er echter wél van overtuigd dat de kleine kernen die nog reeds bestaan, groter kunnen worden. De heidense bezieling smeult nog, dat is een onweerlegbaar feit. Die kleine kernen zijn dan ook ijzersterk, dragen een grote verantwoordelijkheid en zijn zich daar gelukkig ook bewust van. Ze kunnen een voortrekkersrol spelen en kunnen het potentiële heidens vuur in bepaalde zielen aanwakkeren. Maar een algemene revolutie zullen ze wel nooit ontketenen. Daarvoor zijn structurele veranderingen nodig in de maatschappij, en die gebeuren niet zonder slag of stoot. Let wel: ik beweer niet dat die structurele veranderingen op lange termijn onmógelijk zijn. Ik denk enkel dat ze niet binnen enkele jaren zullen gebeuren, zoals je in je vraag vermeldt. Daarom is de doorgeeffunctie van de kleine kernen overigens ook zo belangrijk.
Grendel:
Ik ben, denk ik, al te lang van de Vlaamse bodem weg om nog over een actueel beeld te beschikken van de huidige mogelijkheden van het heidendom hier te lande. Omtrent de eeuwwisseling woedde uiteraard nog volop een politieke hetze jegens het Germaanse heidendom, wat cumuleerde in het controversiële boek “Heidenen voor het Blok” van De Morgen-redacteur en Wicca-aanhanger Jan de Zutter. Ik mag hopen dat dát ondertussen toch een beetje is overgewaaid. In bredere zin zie ik naar de toekomst toe niet zoiets tot stand komen als een totale reconstructie van één of ander Oergermaans, Oerkeltisch of desnoods Oereuropees heidendom. De ecologische niches zijn veranderd, en de geestelijke grondslagen van het prehistorische gedachtegoed zijn sterk geroerd en gemuteerd (niet alleen door het christendom, maar ook door het vijftiende-eeuwse humanisme, de Verlichting, etc.) Het zou getuigen van een grenzeloos vertrouwen in het collectief geheugen van een etniciteit om te veronderstellen dat een totalitaire terugkeer zonder boe of ba gerealiseerd zou kunnen worden. Weliswaar gaan er binnen de kleine kernen waarvan sprake geluiden op die stellen dat het niet gaat om een reconstructie, maar een engagement! Dat lijkt me dan weer een totaal ander verhaal dat uitgaat van hedendaagse behoeften. In ieder geval denk ook ik dat het in de nabije toekomst bij die kleine kernen zal blijven. Weliswaar zal hun aantal stijgen, maar hetzelfde geldt waarschijnlijk net zo goed voor de boeddhisten of aanhangers van de Hare Krishna. Eén en ander zal paradoxaal genoeg wel te maken hebben met een toegenomen keuzevrijheid op het vlak van normen en waarden en de brede beschikbaarheid van uiteenlopende informatie in de huidige samenleving – ook al is men het niet altijd met die samenleving eens …
Wat voor reacties krijg je van buitenstaanders, die niets afweten van paganisme? Positieve commentaar of aanziet men je meer als wilden?
Grimgäert:
Meestal beschouwen die buitenstaanders ons dan met een houding van “het is weer eens iets anders”, zonder te weten wat precies. Onze concerten zien er sowieso nogal “afwijkend” uit, dus dat zorgt soms wel eens voor vreemde reacties. Van zodra je in de openbaarheid treedt, kun je daar echter niet onderuit. Dikwijls zijn die reacties voor ons overigens nog vrij grappig op de koop toe. Het woordje “wilden” - en erger - is dan namelijk niet van de lucht. Waar ik wél een gigantische schijthekel aan heb, is dat veel mensen / buitenstaanders ons uit gemakzucht gaan onderbrengen in heel die hoogst knuffelbare “folk metal”-stroming van tegenwoordig. Maar later meer daarover. Je kunt niet verwachten dat iedereen snapt waar je mee bezig bent, dus heb ik er op zich geen problemen mee als mensen ons rare vragen gaan stellen. Maar ik heb de indruk dat wij toch echt wel héél alleen staan, in de zogenaamde “scene” van tegenwoordig.
Grendel:
Met name vooral in onze begindagen reageerde de beau monde uit de grote Vlaamse steden met afkeur en burgerlijk verwijt op de rurale subversie die wij ontketenden. Associaties betroffen dan ook voornamelijk de creaties van Anton Pieck (“Efteling”), Peyo (“Les Schtroumpfs”) en, vanuit een gans andere optiek, Adolf Hitler (“Mein Kampf”). Of we waren een stelletje aanstellers met een podium-imago gebaseerd op de put van Vrouw Holle, of we waren een radicaal doorgedraaide neonaziband van antisemitische makelij ... Zeker komisch, we hebben er meermaals smakelijk om kunnen lachen! Het zal ook wel iets te maken hebben met de culturele barometer van een publiek dat in wezen is geïnteresseerd in popmuziek. Als we nou “grindcore” of “gothic” hadden gespeeld, was er op dat moment niks aan de hand geweest. Maar daar gaat het ons dus niet om, en tot op de dag van vandaag is de ronduit holle, slecht onderbouwde “mening” van dergelijke buitenstaanders zwaar ondergeschikt aan onze eigen betrachtingen.
Voor wanneer mogen we nieuw materiaal verwachten, en nieuwe optredens?
Grimgäert:
Een vijftal nummers voor de volgende schijf zijn al klaar, maar die zal wel nog een poos op zich laten wachten. We willen het deze keer namelijk goed aanpakken, en weten ondertussen maar al te goed waar de zogenaamde “kinderziektjes” zich kunnen schuilhouden. Die willen we definitief vermijden, en aangezien haast en spoed niet al te dikwijls goed zijn, nemen we rustig de tijd. Ons eerstkomende optreden staat gepland op 19 april, in de “162” in Hekelgem. Die dag staan overigens ook de relatief jofele gezelschappen Kampfar en Nydvind geprogrammeerd. Het concert wordt meteen ook de rituele inwijding van onze nieuwe gitarist “Slutsodomizer” Nerclath A., een onbeleefd figuur dat men misschien kent van zijn vroegere bands Demonizer en Urzamoth, of van gevechten in donkere kroegen vol zware rook en aangeschoten zeelui. Er zijn ook vage plannen om deze zomer Tsjechië nog eens met enkele optredens te vereren (overigens samen met de heren van Theudho), maar daarvoor is nog niets concreet geregeld.
Is er plaats voor rustigere nummers in W&D, zoals sommige nummers van Falkenbach? Of zweren jullie bij het slashing/trashing geluid van W&D?
Grimgäert:
We hébben enkele tragere / rustiger nummers, “Toorn van de Groentroon” is bijvoorbeeld een klepper van 11 minuten, en heeft een vrij laag tempo. Een nieuwer nummer, “De Nornenzeef”, kent ook enkele slepende passages. Maar “rustig” betekent bij ons meestal ook “dreigend”, de stilte voor een teef van een storm. Vratyas Vakyas van het geniale Falkenbach verweeft geregeld vrij opgewekte deunen door zijn muziek, dat doen wij niét. Het is niets voor ons. Enkele nummers uit de beginperiode hebben dat kenmerk misschien nog iets meer, maar tegenwoordig is dat definitief verleden tijd. Natuurlijk voelen we ons het meest in ons element bij uptempo, oldskool “slashing / thräshing” beuknummers, maar de trage passages tussenin komen net daardoor nog bijtender over, heb ik zo de indruk.
Grendel:
Je verwijst naar de band Falkenbach, maar dit lijkt mij in muzikaal-technisch opzicht toch een andere opzet. Zelf speel ik ook in Grimm, een folkloristisch gezelschap uit de Peel dat hekeldichten componeert volgens het ambacht van Scandinavische en Angelsaksische voorbeelden als Storm, Isengard, Otyg en Forefather, met sporadische verwijzingen naar de meer epische doom / heavy metal van Candlemass en King Diamond. Bijzondere aandacht gaat hierbij uit naar de songstructuren, waarbij het instrumentarium een strofe – brug – refrein – sequentie creëert om de melodieuze,
meerstemmige zang te dragen. Een dergelijke aanpak geldt ook voor een band als Falkenbach, maar niet voor W&D - in essentie een thrash-band met necrovocalen en een veelheid aan elkaar kruiselings afwisselende riffs. Bands als Absu en Sabbat (UK) kiezen nagenoeg constant voor een flitsende c.q. midtempo aanpak, terwijl wij toch geregeld meer grimmige en duistere passages in onze composities verwerken. Dit laatste is dan weer een resultante van persoonlijke invloeden … Zo ben ik zelf in zekere zin geregeld van het stemmigere werk van bands als Candlemass, Root, Solitude Aeturnus, Master’s Hammer, Graveland, Blood Axis, Arckanum, oude Cathedral, Burzum, Der Blutharsh, enzovoort. Daarnaast zijn wij allen uiteraard ook vurige aanhangers van het betere hak- en snijwerk, gaande van de oude, al dan niet transatlantische thrash- en speed metalgoden als Exciter, Living Death, Exumer, Accüser en Cacophony uit de jaren ’80 tot de Noord-Europese black / thrash van Nocturnal Breed, Bewitched, Cranium en Nifelheim uit de jaren ’90. De folkinvloeden vinden hun oorsprong in diverse vormen en uitingen van Vlaamse, Nederlandse, Ierse, Schotse, Scandinavische, Poolse en Oekraïense volksmuziek. Hoewel dergelijke melodieën vaak steunen op meer goedgehumeurde majeurladders hoeft een goede implementatie ervan niet te leiden tot een soort van “Nintendo-effect”, zoals te horen is bij blijde bands als Finntroll, Thyrfing of Ensiferum. Helaas lijken veel hedendaagse bands daar niet meer in te slagen. Het commerciële voorbeeld van eerstgenoemden zal hier waarschijnlijk niet vreemd aan zijn. Het voornoemde “Toorn van de Groentroon” was een voorbeeld van de contrasten tussen licht en donker waarmee wel eens wordt gewerkt. Trage, slepende en enigszins dreigende riffs die werden afgewisseld met korte speed metal-riffs en een driekwartsmaat folk-passage in het midden en aan het eind. Een relatie die we in de nieuwe nummers steeds beter willen gaan uitdiepen.
Hoe ben je zelf beïnvloed geweest door het heidendom?
Grimgäert:
Heidendom is voor mij een beetje een beschermende, stalen handschoen, zoals je die bij middeleeuwse harnassen ziet. Veel visies die eigen zijn aan het heidendom, vond ik al erg aantrekkelijk nog voor ik met heidendom in contact kwam. Hoe meer ik over de heidense beschouwingen te weten kwam, hoe meer die nieuwe kennis mijn eigen visies vervolmaakte, bevestigde en beschermde tegen wankeling. De kennismaking was voor mij een openbaring en tegelijkertijd een soort van thuiskomen. En van dan af werden de zaken concreter, zonder echter beknottend te worden. Ik heb nu namelijk nog steeds een aantal opvattingen die niet stroken met het label “heidens”, doch weiger deze af te leggen omdat dat zo zou moeten volgens een stel regels. (Een weigering die dan, ironisch genoeg, wél weer een heidens trekje is.) Zoals reeds hoger gesteld is conformeren mijn ding niet, maar het heidendom is voor mij tegenwoordig zeker een stralend en inspirerend geheel waarmee ik mijn daden zoveel mogelijk poog te verlichten.
Grendel:
Wat mij persoonlijk betreft, kan ik het “heidendom” definiëren als een complex geheel van kosmogonische verbanden dat moeilijk los kan worden gezien van haar ecologische niche van maatschappelijke en landschappelijke aard. Het “heidendom” is in die zin ook een situatiespecifiek, organisch geheel en kan gelden als een bron van inspiratie in haar persoonlijke ethiek, haar maatschappelijke basisomgangsvormen en haar stereotype zoektocht naar zeer gespecialiseerde vormen van kennis en vaardigheden.
Muziek kent zijn rages en posers, is er in de paganistische metalwereld ook al zo'n verloedering van zogenaamde paganisten die de hele tijd 'Mjolnir' schreeuwen zonder te weten wat het betekent?
Grimgäert:
Mijn stokpaardje. Kijk: ik hou echt niet van valsheid en platvloersheid, en daarom heb ik ook een hekel aan trends in alle mogelijke soorten en vormen. Ook in muziek. Dat het in de black metal-scene stikt van de Walt Disney-figuren met een boordkartonnen imago, is al langer bekend. Maar inderdaad: ook de “pagan metal”-wereld lijdt al aan dat syndroom. Tot voor een vijftal jaar was pagan metal nog vrij zuiver. Er bestonden een aantal grotere koptrekkers - Skyforger, Cruachan, Falkenbach, Tumulus,…- en daarnaast had elk land nog een beperkte, maar toegewijde en kwalitatieve scene. De spoeling was dun, maar had klasse. Tegenwoordig is de situatie helemaal omgeslagen. Het is wel hip en “in” geworden om in een
“heidense” *proest* groep te spelen, en daarenboven is het niet eens zo moeilijk om een hoogst dansbaar deuntje uit je gitaar / klavier te toveren. En dus schoten de folk / pagan / fantasy / tralalala - bands als paddenstoelen uit de grond. Black metal was wat over zijn hoogtepunt heen, en er ontstond een vacuüm. De pentagrammen vlogen daarop in de kast, en de mjölnirs verschenen. Overal, ook in België, ontstonden er groepjes naar het voorbeeld van Finntroll en Thyrfing en allemaal waren ze om het braafst. Ze aten van alle mogelijke conceptuele walletjes zonder er ook maar eentje echt te begrijpen, kleefden enkele hoempapa-gitaarrifs samen en scoorden makkelijk succes. En dat is logisch, want folk metal IS nu eenmaal toegankelijker dan black metal. Het is echter érg irritant te zien dat de meeste van die bands niet eens 1) folk zijn, 2) noch metal zijn, 3) noch heidens zijn. Daarom willen wij ons met W&D tegenwoordig zo vér mogelijk verwijderen van al dit gedoe. De eerste die op onze muziek een danspasje zet, verschaf ik persoonlijk een oplawaai. W&D IS namelijk niet braaf, IS geen “bier-en-plezier”-band (of toch niet constant), IS geen pagan / folk-band in de huidige en verziekte betekenis van het woord. Wij staan daarbuiten, in de kille modderpoel naast de gezellige zaal waarin het plebs zich te buiten gaat aan goedkoop vertier.
Grendel:
Ik geef je even een klein voorbeeld. Laatst was ik aanwezig op een optreden van Cruachan. Na een half uur of zo kondigden zij het nummer “Viking Slayer” aan, met een tekst die handelt over het vroegmiddeleeuwse antagonisme tussen de Keltische Ieren en de landhongerige Noren. Hierbij richtte Keith Fay, zanger en gitarist, de volgende vraag aan de aanwezigen:”Are there any Vikings in the place?” Vrolijk gejuich en enthousiasme alom; het gros van de aanwezigen (etnisch gezien een samenraapsel van Friezen, Saksen en Franken) rekende zich wel degelijk tot de categorie der “vikings”. Uiteraard bestond de volgende stap uit het luidkeels aankondigen van het volgende nummer als zijnde: “VIKING SLAYERRRRR!!!!!” En gelijk viel er een doodse, verraste stilte …. Ik geloof werkelijk dat niemand dergelijke voor de hand liggende, eigenlijk wat droge grap aan had zien komen! Om een lang verhaal kort te maken: men hoeft als “heidense” band in ieder geval niet de illusie te koesteren dat de boodschap bij iedereen even helder is aangekomen, haha! Maar goed, ik kan er niet wakker van liggen.
Grimgäert:
Eentje – nul voor Keith, geniaal.
Als eind van dit interview mag je eventueel ook nog een eindwoordje plaatsen. (Als je nog iets kwijt wil die er zeker moet bij staan).
Grimgäert:
Het meeste is gezegd, dunkt me, en de rest kan nog altijd via wapenspraak@yahoo.com. Een oprechte heilsgroet aan de kameraden bij Hagal en slangenmede op het hoofd van de menselijke spaken in de wielen!
Grendel:
En nou eerst een lekker bakje thee drinken! Nee Grimgäert, dat is niet de bedoeling; enkel een lekker bakje koffie drinken.