Het sprookje als oud-Germaansch bezit

Er hangt om het sprookje een geur van eerbiedwekkenden ouderdom. Waarlijk niet een geur van vergeelde albumblaren, waar een verdord bloempje de herinnering aan een gelukkig ogenblik tracht vast te houden, maar eerder die van onze oeroude moeder aarde, wanneer zij opengeploegd in de zon te dampen ligt. Dat is die scherpe krilidige lucht, die in de lente uit de voren opstijgt, vol belofte van eeuwig zich hernieuwend leven. Zoo ook het sprookje. Als wij zoo echt volwassen geworden zijn, dan weten wij dat die verhalen "uit de oude doos" nu voorgoed afgedaan hebben: zij behooren samen met de jongenskiel, die alleen in de verbeelding van den dichter zoo zalig om onze schouders glijdt, samen met priktol en belletjetrekken tot een onherroepelijk afgesloten stuk van ons leven. Zij zijn een gedeelte van den inventaris onzer jeugd. Maar elke jeugd, die nieuw te midden van ons oprijst, zal met dit sprookje vermaakt en gesterkt worden. Het is een onverwoestbaar bezit van ons volk.

De ontwikkelde Nederlander van onzen tijd -ik bedoel slechts al diegenen, die de zegeningen van het lager onderwijs genoten hebben- weet, dat het sprookje een ijdel verbeeldingsspel is, waaraan alleen kinderen, en dan nog slechts van een gansch onbedorven gemoed, vreugde kunnen beleven. Als hem verteld wordt, dat hier en daar ook nog volwassenen elkander met sprookjes de avonden korten, dan zal hij geneigd zijn medelijdend te glimlachen om zulk een aartsvaderlijke naïveteit, ten minste als hij niet vol hoogmoed spreken zal van achterlijke boerschheid. Toch moeten wij bij elke beschouwing over het sprookje hieraan vasthouden: het is naar zijn oorsprong volstrekt niet voor kinderen bedoeld. Er spreekt de levenservaring van volwassenen uit. Het spreekt ook in de taal van volwassenen. Alleen een zeer strenge kuischingsarbeid heeft den beroemden bundel der gebroeders Grimm geschikt gemaakt voor de kinderkamer; men moet daarnaast maar eens leggen verzamelingen, rechtstreeks uit den volksmond opgeteekend. Die moet men uitgeven met een noodzakelijke waarschuwing "Nur für Erwachsene!"

Wanneer echter een groep verhalen eeuwen lang in den volksmond blijft leven, dan moeten zij een diepen weerklank gevonden hebben; dan moeten zij ondanks de voortdurende verandering van het milieu, waarin zij overgeleverd worden, een onverwoestbare levenskracht bezitten. Maar dan past ons ook niet meer de houding van welwillende aandacht, die wij aan de herinneringen onzer jeugd plegen te wijden, maar die van eerbied voor een traditie, die van geslacht op geslacht als een onvergankelijk volksbezit wordt verdergedragen. De sprookjes moeten inderdaad overoud zijn. De middeleeuwsche literatuur wemelt van motieven, die tot de wereld van het sprookje behooren. Maar wij treffen ze ook aan in de overlevering der Grieken en Romeinen, ja zelfs in het Egypte der Pharao's. Oeroud zijn blijkbaar onze sprookjes; hun oorsprong verliest zich in den nacht der tijden. De verlichte wereldburger van heden zal glimlachend vaststellen: natuurlijk, zij waren een bezit van het geheele volk, toen alle volwassenen nog zoo onontwikkeld en "primitief" waren als heden ten dage onze kinderen.

Wanneer wij in deze beschouwing iets over den oorsprong van het sprookje zullen opmerken, dan zullen wij daarbij een zekere beperking moeten toepassen. De bundel van Grimm omvat zoo verschillende soorten verhalen. Daarin zijn opgenomen dierfabels en grappige vertelsels naast verhalen van zeer verschillenden inhoud. Bijzondere aandacht zullen wij moeten besteden aan de eigenlijke "wondersprookjes", dat zijn dus die vertellingen, waarin bovennatuurlijke personen of dingen een rol spelen, waarin de held van het verhaal dus met reuzen of dwergen in aanraking komt, waarin dieren als helpende en met rede begaafde wezens optreden en toovervoorwerpen voor het bereiken van het gestelde doel noodzakelijk zijn. Wanneer wij deze beperking toepassen, dan hebben wij de zekerheid, dat wij onze aandacht wenden tot de belangwekkendste voortbrengselen van deze volkskunst en dan mogen wij zelfs vermoeden, dat hier een zeer oud stadium van onze Europeesche beschaving benaderd kan worden.

Met de geestdrift, pioniers eener wetenschap eigen, stortten zich de broeders Grimm op de sprookjes. Zij waren overtuigd, dat deze verhalen, gelijk alle echte volksoverleveringen tot aan het diepste verleden terugreikten. Zij ontdekten merkwaardige punten van overeenstemming tusschen deze eenvoudige verhaaltjes van het platteland en de oude mythen der Germaansche volken. Hoe kon het anders, dan dat zij tot het inzicht kwamen, dat die sprookjes eigenlijk voortleven als een onuitroeibaar volksbezit. Natuurlijk, zij hadden hun godsdienstige beteekenis van lieverlede verloren, zij waren onschuldige ontspanningsliteratuur geworden, geen Christen kon vermoeden, dat hier een heidensch addertje in het gras zou kunnen loeren. Als de reus met vervaarlijke stem schreeuwt: "Ho, ho, ik ruik Christenvleesch" -een variant naast het meer gebruikelijke: "ik ruik menschenvleesch" -dan werd de held immers door de wereld der demonen zelf als een Christen geschuwd en uitgestooten. Het sprookje was het eindpunt van een langen lijdensweg, dien de mythe gegaan was. Van haar religieuze waarde ontdaan, was alleen een spannend verhaal overgebleven, dat bovendien alleen nog zoo lang boeien kon, als de menschen bleven gelooven aan het bestaan van reuzen, dwergen, kabouters en dergelijke wezens. Zoodra ook dit verdwenen was, had het sprookje zijn aantrekkelijkheid haast geheel ingeboet.

Zoo kon Jacob Grimm aan den arbeid gaan, nu hem de mogelijkheid gebleken was, dat uit het sprookje een lang ten grave gedaalde mythische wereld zou kunnen herrijzen. Wie de tooverstaf der intuïtie bezat, kon hier een gansche reeks van oude heidensche mythen doen herrijzen. De Germaansche mythologie kon van twee zijden tegelijk aangepakt worden. Aan den eenen kant de oude overleveringen in de Edda's en andere middeleeuwsche bronnen, aan den anderen kant de steeds nog frisch borrelende bron der levende volkstraditie -wie zou den ouden boom Yggdrasil niet voor zijn geest zien omhoogrijzen, als hij in den hemel zijn machtigen kruin ontwaren kon en in de aarde den loop der wortels vermocht te volgen? Stortte echter deze romantische beschouwing niet bij de eerste aanraking met de werkelijkheid ineen? Het kon aan Grimm immers niet verborgen blijven, dat dezelfde sprookjes, die onder het Duitsche volk opgeteekend werden ,ook behoorden tot de volksoverlevering van Romanen en Slaven, Kelten en Finnen, Grieken en Hongaren. Inderdaad, dit bleef hem ook niet verborgen, maar het vervulde hem met nog grooter eerbied voor deze oogenschijnlijk zoo kinderlijke verhalen. Zij waren nog veel kostbaarder bezit, dan een Germaansch erfdeel alleen, zij reikten terug tot aan de Indo-Germaansche oudheid; duizenden jaren voor het begin van onze jaartelling kende het stamvolk van 'Grieken en Germanen, Romeinen en Indiërs deze verhalen reeds als de door hen verheerlijkte daden der Goden.

Kon het fraaier? Grijpbaar, te midden van ons, lag nog de kostbare mythenschat van het verste verleden. Niet onveranderd helaas, maar toch ook niet onkenbaar geworden voor het vorschende oog, dat met liefde en toewijding deze verhalen beschouwde. Intusschen, mocht het steeds zich uitbreidende onderzoek der volkskunde voortdurend nieuw materiaal verzamelen, de studie der volkenkunde, die in de 19de eeuw zulk een geweldige vlucht zou nemen, leverde de bewijzen, dat welhaast overal op de wereld verhalen werden verteld in den trant van onze fabels en sprookjes. Daar waren niet alleen de schier onuitputtelijke rijkdommen der Oostersche verbeelding, zooals de 1001 Nacht en gelijksoortige verzamelingen. Maar daar waren de talrijke gelijksoortige, vaak zelfs nog geheel als goddelijke mythe beschouwde vertellingen van Maori's en Hottentotten, Toradja's en Algonquins. Hoe nu? Op het eind van zijn leven zag Grimm het gebouw zijner wetenschappelijke theorie reeds aan het wankelen gebracht. Hij moest toegeven, dat de grenzen veel wijder getrokken moesten worden: niet alleen bezit van Germanen, of van Indo-Germanen, neen van de geheele menschheid. (Wat echter bevestigd scheen, dat was de opvatting, dat de sprookjes naar hun innerlijkste wezen mythen waren.

Het spreekt wel vanzelf. dat de "kritische" 19de eeuw van het schoone bouwwerk, dat Jacob Grimm in zijn meesleepende geestdrift ongetrokken had, niets overeind gelaten had. Wanneer die verhalen dan bij alle volkeren der aarde gevonden werden, wat zou men dan nog trachten, om daaruit oude mythen te reconstrueeren, die in een Germaansche of Indo-Germaansche godenleer zouden kunnen worden ingepast? Nu kwam het primitieve karakter eerst recht voor den dag. Geen volk, zoo achterlijk van beschaving het ook mocht aangetroffen worden, ontbeerde verhalen, die door den eenvoud van den inhoud en het wonderbaarlijke der motieven levendig aan onze Europeesche sprookjes herinnerden. Overal ter wereld wist men te vertellen van den held, die zich aan de achtervolging van een demon onttrok door allerlei voorwerpen achter zich uit te werpen een kam veranderde in een hemelhoog gebergte, een spiegel in een zee. Hier was dus gelegenheid om in den zin van den ethnoloog Bastian den term "Völkergedanke" te gebruiken. Een idee dus, die krachtens haar vanzelfsprekend en natuurlijk karakter overal ter wereld ontstaan kon, waar het menschelijk intellect werkzaam was, gelijk uit den aanblik van den drijvenden boomstam overal de gedachte aan een boot moest ontstaan. Belangwekkende verschijnselen dus voor hem, die de genese van het menschelijk denken, van de literaire scheppingen wil bestudeeren, maar ook juist daarom de alleroudste en allereenvoudigste voortbrengselen der kunst. Geen latere neerslag van oude mythen waren deze sprookjes, maar juist de bouwstoffen, waaruit deze konden worden opgebouwd.

Intusschen, hoewel men -en zooals wij nog zullen opmerken, geheel ten onrechte- tot de opvatting gekomen was, dat het sprookje een kultuurbezit der gansche menschheid was, het bleek toch duidelijk, dat de verhalen der Europeesche volksoverlevering een geheel eigen karakter hadden en dan toch in elk geval als een bijzondere groep moesten worden afgezonderd en behandeld. Men behoeft den loop der wetenschappelijke ontwikkeling der 19de eeuw slechts te kennen, om te begrijpen, dat het sprookje uitsluitend als een historisch en nauwelijks als een fenomenologisch probleem beschouwd werd.

In hoofdzaak ging het onderzoek drie richtingen uit. In 1859 verscheen een vertaling der Indische fabelverzameling het Pantsjatantra door Theodor Benfey, die haar van een uitvoerige inleiding voorzag. Daarin toonde hij aan, hoe deze Voorindische verhalen door de bemiddeling van Perzen en Arabieren eenerzijds ,door die van de Mongolen anderzijds, zich wijd en zijd door Eurazië verspreid hebben, zoodat zij nu van Portugal en Ierland tot aan China en Indonesië in literatuur en volksoverlevering aangetroffen worden. Hoezeer werd deze ontdekking bevestigd door de ontdekking, dat de Christelijke legende van Barlaam en Josaphat, die in de Middeleeuwen overal een geweldigen opgang gemaakt heeft, niets anders was dan een in Christelijk gewaad gestoken levensbeschrijving van Boeddha! Geen verwantschap meer, geen gemeenschappelijk Indo-Germaansch bezit, maar ontleening, niets dan doodgewone ontleening van een literaire bron aan een andere. Men behoefde niet op te stijgen tot in het nevelachtigste verleden, want men moest vragen op welk tijdstip der geschiedenis het contact van Indië met Europa zoodanig was, dat de overname van het Pantsjatantra en van gelijksoortige verhalenbundels mogelijk geacht kon worden. Indien wij de bemiddeling van de Arabieren in aanmerking nemen, dan blijkt het vanzelf, dat met de Kruistochten de gunstige voorwaarden voor zulk een overdracht geschapen waren. In verband met de geheele kultuurbeweging van die periode mogen wij aannemen, dat de 12de eeuw het optimum voor de wederzijdsche bevruchting van de Arabische en de Christelijke wereld vormde.

Intusschen, deze gansche beschouwing is die van den literairhistoricus, dat wil dus zeggen van den onderzoeker, die uitsluitend met geschreven literaire bronnen werkt. Indien wij dezelfde verhalen vervolgen kunnen van hun Indischen oorsprong tot aan de middeleeuwsche handschriften, waarin zij voor het eerst in Europa aan den dag komen, dan is daarmede onze wetenschappelijke taak afgeloopen. Hoe verder uit die middeleeuwsche literatuur deze vertelstof in de volksoverlevering gedruppeld was, behoorde niet meer tot de taak van het literair historische onderzoek; daarmede kon de folklorist zich het hoofd breken. Dat deed deze dan ook! Wat den geschiedschrijver der letterkundige verschijnselen onverschillig was, dat behoorde juist tot de wetenschappelijke taak van den volkskundige. En het ging, zooals het gelukkig bijna altijd in de wetenschap gaat, in de plaats van het eene probleem, dat opgelost leek, traden andere, die niet minder dringend een verklaring eischten. Indien het sprookje op de wijze van Benfey verklaard moet worden, hoe is het dan mogelijk, dat deze verhalen in gelijksoortigen, ja meermalen in nagenoeg identieken vorm in geheel Europa voorkomen, van de Noordkaap tot aan Gibraltar, van het groene Erin tot aan den hemelbestormenden Kaukasus? Een wonderbaarlijk vruchtbare werking moet er van die middeleeuwsche werken zijn uitgegaan, als zij een neerslag gevonden hebben bij alle volken van ons continent.

De oplossing, die Benfey voorstelde, had het probleem slechts verschoven. De volksoverlevering onderstelde niet een ontwikkeling van een traditie uit een of andere schriftelijke bron, maar een verbreiding van mond tot mond, van dorp tot dorp, van volk tot volk. Of men nu denkt aan rondreizende sprooksprekers, aan kooplieden, die van markt tot markt trokken, aan soldaten die met de huurlegers door alle landen, ja die als kruisvaarders tot in het Oosten kwamen, dan wel of men liever wil denken aan de uitwisseling der dorpsche gemeenschappen door volksfeesten, jaarmarkten, bruiloften en dgl., het feit blijft bestaan, dat in den loop der eeuwen een bepaald sprookje over heel Europa -soms zelfs ver daarbuiten- verbreid werd. De niet zoo zeldzame gevallen, dat de koloniseerende volkeren hun verhalen naar vreemde werelddeelen gebracht hebben, de Hollanders naar Oost-Indië, de Engelschen naar Amerika, de Franschen naar Canada, bewezen de mogelijkheid van zulk een overdracht van volk naar volk. De vraag rees dus: hoe is de Europeesche volkstraditie ontstaan? Wanneer men uitgaat van één bepaald oorsprongsgebied van een sprookje -en het evolutionistisch ingestelde onderzoek der 19de eeuw kon zich kwalijk een andere voorstelling maken- dan moet men trachten aan te toonen, langs welke wegen het zich verspreid heeft en voor deze verspreiding de algemeene historische voorwaarden aanwijzen.

Dit werk heeft een groep wetenschappelijke onderzoekers verricht, die men gewoonlijk de Finsche school noemt. Ik kan hier in dit verband niet op bijzonderheden ingaan, maar wil slechts opmerken, dat een buitengewoon zorgvuldig verzamelen van de door het volk opgeteekende varianten, gepaard aan een zeer minutieuze methode van vergelijkend onderzoek, de mogelijkheid tot het beantwoorden van de zoo even genoemde vragen scheen te scheppen. Het bleek daarbij, dat elk sprookje zijn eigen geschiedenis gehad had. Mochten er inderdaad vele naar Voor-Indië als hun oorsprongsland wijzen, dit was toch lang niet met alle het geval. Er bestond ook theoretisch niet het minste bezwaar tegen, dat een sprookje in elk volksgebied van Europa kon zijn ontstaan. De opvatting der Finsche school gaat dus uit van een collectieve volkstraditie, waardoor een individueele schepping gemeengoed van het Europeesche continent werd. Zij bleef dus eerbiedigen het min of meer literaire karakter van het sprookje zelf, dat allesbehalve spontaan uit de volksziel was opgebloeid, maar dat een naar plaats en tijd concreet te bepalen oorsprong gehad moet hebben. Het onderzoek, door de Finsche school met zooveel geestdrift begonnen, daarvan getuigen de talrijke detailonderzoekingen, die in haar publicaties verschenen zijn, leidde op den duur niet tot het versterken van het uitgangspunt harer principieele beschouwingen, maar veeleer tot steeds sterker opduikenden twijfel.

Deze betrof niet alleen haar methodische grondslagen, die hier buiten beschouwing zullen blijven. Maar het bleek maar al te vaak, dat de onderzoeker tot zijn resultaat gekomen was door een willekeurige interpretatie der feiten, als men het onvriendelijk zeggen wil, door een zekere vooringenomenheid. Als hij tot de slotsom gekomen was, dat een sprookje bijv. in Vlaanderen ontstaan was, dan betoogde zijn criticus, dat tot deze conclusie de eigenlijke bewijzen ten eenenmale ontbraken en dat men even goed aan Rusland of aan Frankrijk zou kunnen denken. Het rotsvaste vertrouwen in het goed recht, of laat ons liever zeggen, in de onfeilbaarheid dezer methode, ging de onderzoekers begeven en het is een opmerkelijk teeken, dat sinds een jaar of tien geen nieuwe publicaties van dezen aard verschenen zijn. In den tijd, dat de ontoereikendheid der Finsche beschouwingswijze steeds duidelijker aan den dag trad, kwam een radicale tegenspraak van de zijde van den Boheemschen geleerde Wesselski. Hij kende als geen ander de schriftelijke overlevering van het sprookje; hij had -dat kan men zonder overdrijving zeggen- alle Europeesche bronnen der Middeleeuwen, alle Indische en Oostersche verzamelingen, in het kort het heele gedrukte materiaal van vroeger en later tijd bestudeerd en daardoor een kennis verworven van een heele tak der sprookjesoverlevering, waaraan de eigenlijke folkloristen maar onvoldoende aandacht geschonken hadden. Deze hadden met de grootste nauwgezetheid alle varianten der volksoverlevering behandeld en hadden eigenlijk de literaire gegevens hoofdzakelijk gebruikt, om door deze een historisch-geografische fixeering dier volkstraditie vast te stellen.

Wesselski bekeek het sprookjesprobleem weer geheel van den zuiver literair-historischen kant. Hij spotte met die haast afgodisch vereerde volksoverlevering. Het is naar zijn meening onjuist, dat het volk daarbij eenige rol van beteekenis zou spelen. Een scheppende functie van het volk had het 19de-eeuwsche onderzoek trouwens reeds lang opgegeven; maar men kon zelfs niet spreken van een werkelijke traditie, die het oude trouw en onveranderd bewaarde. Die tallooze opgeteekende varianten waren voor het wetenschappelijke onderzoek volkomen waardeloos. Het volk bewaarde niet, maar verbasterde en verknoeide. Wat men nu het echte volkssprookje geliefde te noemen, was niet anders dan het verminkte navertellen, van wat de geschreven en gedrukte bronnen geleverd hadden. De huidige Duitsche traditie was niet veel meer dan een flauwe nagalm van het klassieke sprookjesboek der gebroeders Grimm, die door de tallooze volksdrukken, door feuilletons in plaatselijk dagbladen, door de leesboekjes der scholen telkens opnieuw onder het volk verspreid werden. Men kon daarom gerust al die echte populaire varianten in den prullemand werpen en zich alleen houden aan de schriftelijke literatuur. Zoo eenzijdig was het zuiver literaire karakter van het sprookje nog nooit uitgesproken. Al kon deze tegenspraak niet overtuigen, zij dwong tot nadenken over de principieele vragen en zij heeft daardoor geleid tot een reactie, die voor het onderzoek van groote beteekenis geworden is. Het zijn juist de fenomenologische problemen, die weer aan de orde gesteld werden.

Het is noodig enkele aspecten van het sprookje nader te bepalen. Allereerst de vraag, in hoeverre het een produkt van een historisch ontwikkelingsproces kan worden genoemd. Wie de verzameling van de Grimms leest, kan geen oogenblik in twijfel verkeeren, dat het zich beweegt in de sfeer van het tegenwoordige Europeesche leven. De maatschappelijke vormen, de materieele kultuur, het wijst alles op de samenleving, die sinds de middeleeuwen in Duitschland gegroeid is. De gezichtskring is weliswaar plattelandsch, boersch; maar verreweg het grootste gedeelte der bijeengebrachte opteekeningen stammen ook van het boerenland. Dat men den koning en zijn hof dus met hetzelfde naïeve realisme beschouwt als den landsheerlijken adel op zijn kasteelen, is volkomen begrijpelijk en bewijst alleen maar, hoe zeer de menschen, die de sprookjes vertellen, op den stevigen bodem van hun eigen werkelijkheid staan. Hoe zou het ook anders kunnen? Indien de sprookjes waarachtig levende volkstraditie zijn, dan moeten zij ook voortdurend in den stroom van het leven meegedragen worden. Werkelijk volksbezit verstart niet tot een onbegrepen antiquiteit, maar blijft met duizend draden aan het steeds zich vernieuwende leven gebonden. Men zoeke dus in de sprookjes niet al te zeer naar herinneringen aan vroegere kultuurperioden, vooral niet in de uiterlijke eigenaardigheden van de daarin optredende personen of daarin behandelde gebeurtenissen. Dan komt men bedrogen uit. Als de held met een zwaard of zelfs met een geweer vecht, behoeft dat nog geenszins uit te sluiten, dat het verhaal zelf in den steentijd kan zijn ontstaan.

Vraagt men naar de ethische grondslagen van het sprookje, dan kan men vaststellen, dat deze stellig niet specifiek Christelijk zijn. De moraal is van een zeer naieven aard; men zou kunnen zeggen, dat het leven van elken sprookjesheld de stelregel bewijst, dat het goede beloond en het kwade gestraft wordt. Het is opmerkelijk, dat elke volksaardige literatuur, de stuiversroman zoo goed als het krantenfeuilleton dezen stelregel huldigt, die dwars tegen elke ervaring in met een merkwaardig optimisme aan de uiteindelijke zegepraal van het goede vasthoudt. De goden mogen in den Germaanschen wereldondergang bezwijken, een nieuwe en rijker gezegende wereld zal uit de asch der oude verrijzen. Dit idealisme ligt in het wezen van den mensch zelf verankerd; zij is het noodwendige gevolg van zijn vitaliteit. Dit echter behoeft nog geenszins te leiden tot een verheerlijking van een Christelijke moraal. De helden van het sprookje zijn geen heiligen. Zij gebruiken de middelen van list en geweld, als dat met hun doeleinden strookt. Zij overwinnen echter ten slotte, omdat zij als het ware het "goede principe" vertegenwoordigen. Wie voor het kind voorbeelden van deugdzame moraal verlangt, moet de sprookjes zorgvuldig uitkiezen; er zijn zelfs wel pedagogen, die ze maar liever heelemaal over boord zouden willen werpen.

Vraagt men naar de verhouding van het sprookje tot het geloof, dan luidt het antwoord al even negatief. De echte sprookjes zijn in dit opzicht geheel indifferent. Zij spreken daar niet over. Het sprookje behoort niet als de preek bij den Zondag, maar het staat midden in het nuchtere, alledaagsche leven, al plaatst het ook tegenover de realiteit, die vaak met alle redelijkheid en zedelijkheid schijnt te spotten een wereld van het wonderbaarlijke, waarin het eigenlijke en waarachtige leven triomfeert. Men moet daarom ook zijn verwachtingen niet te hoog spannen, als men op zoek gaat naar heidensche geloofsvoorstellingen. Hoe zou in een Duitsch sprookje Wodan kunnen rondspoken, als hetzelfde verhaal ook bij de Italianen en de Russen verteld wordt? Zooals wij reeds opmerkten, de bovennatuurlijke machten, waaraan het volk gelooven bleef, lang nadat het Christendom gezegevierd had, de reuzen en de dwergen, de feeën en de heksen, die speelden daarin natuurlijk wel een rol. Men kan in de feeën, die bij de geboorte van Doornroosje optreden, een laatste weerspiegeling der Germaansche Nornen vermoeden, men vergete dan toch ook niet, dat men overal aan zulke "schikgodinnen" geloofde. Het sprookje van "Frau Holle" bewaart ongetwijfeld de herinnering aan een oude mythische gestalte, maar dit was alleen daardoor mogelijk, dat zij levend bezit van het volk gebleven was.

Terwijl de goden na de bekeering hun "Ragnarok" beleefden en daarmede voor goed ten grave daalden, bleven de bovennatuurlijke wezens van lagere orde voortleven. Zij bleken onuitroeibaar, althans door de leerstellingen der zegevierende kerk: de leerplichtwet, de krant en de radio zullen met en korte metten maken. Kan men derhalve niet verwachten, dat een mythe van Wodan of Donar in een sprookje bewaard zal zijn, het is volstrekt niet ondenkbaar, dat religieuze voorstellingen van lagere orde daarin weerspiegeld worden. De Fransche geleerde Saintyves heeft willen aantoonen, dat een aantal sprookjes scenario's van oude volksgebruiken zouden zijn; het verhaal van de Schoone Slaapster zou eigenlijk den ritus weerspiegelen van het lentefeest, waarbij de aarde door den jongen lentetijd uit haar winterslaap gewekt werd. Het sprookje van Blauwbaard zou met initiatie-gebruiken samenhangen; Klein Duimpje eveneens oude manbaarheidsriten behandelen. Maar deze met veel geleerdheid en scherpzinnigheid verdedigde hypothese ontmoet allerlei bezwaren, die aan haar juistheid doen twijfelen. De wetenschap van het sprookje heeft dus -zoo kunnen wij vaststellen - menigen dwaalweg gevolgd en werd telkens weer tot terugkeer, dat wil zeggen tot bezinning gedwongen. Deze talrijke mislukkingen hebben ons waarlijk niet armer gemaakt; integendeel wij zijn er rijker door geworden. Het bleek, dat de vrucht der kennis, hooger hing, dan wij aanvankelijk meenden. Zagen wij, dat de romantische voorstellingen van een Indo-Germaanschen oorsprong zich niet konden handhaven, de goedkoope theorieën van simpele ontleening en van zuiver literaire herkomst konden al evenmin bevredigen. En elke nieuwe mislukking bracht ons toch weer een stap dichter bij de oplossing...

Was het wel waar, moeten wij vragen, dat het sprookje bij alle volken der wereld gevonden wordt? Ja, als men daarbij vooral denkt aan de dierfabel, dan schijnt deze bewering door de feiten bevestigd te worden. Maar wij namen als uitgangspunt het eigenlijke "wondersprookje", omdat de samenhang met de mythen juist hier het eerste opgevallen was. Nu blijkt echter, dat dit sprookjestype juist niet overal gevonden wordt, ja zelfs alleen in dat gedeelte der wereld thuishoort, waarop de Indo-Germaansche volkeren hun stempel gedrukt hebben. De Semieten kennen juist dit soort sprookjes niet. Het wondersprookje alleen bij de Indo-Germanen voorkomend, dat geeft ons het recht te denken, dat het een voortbrengsel van den Indo-Germaanschen geest is. Onvermoede perspectieven worden geopend. Wie mocht bewijzen, dat een sprookje uit Indië naar ons werelddeel gekomen is, zal daarmede niet anders hebben aangetoond, dan dat een oud bezit, dat wij verloren hebben, weder tot ons teruggekeerd is. Het blijft daardoor niet minder Indo-Germaansch. Er is dan ook geen reden tot verwondering, dat wij zulke verhalen overal in Europa aantreffen; het is van allen gemeenzaam en oorspronkelijk bezit. Wij behoeven niet zoo zeer te letten op de overeenstemmingen, die er tusschen de sprookjes van Skandinaviërs, Russen of Romanen bestaan, als wel op de verschillen, die wij kunnen opmerken. Gedurende de honderden, ja duizenden jaren, dat zij in ons midden geleefd hebben, kregen zij ook het stempel van onzen geest; elk volk drukte daarin iets van zijn eigen aard uit. Juist die door het verschil van rassen en volken bepaalde onderscheidingen bewijzen hun hoogen ouderdom en hun oorspronkelijkheid.

De Zweedsche geleerde Von Sydow heeft deze meening met groote vastberadenheid uitgesproken. Natuurlijk stuitte zij op veel tegenstand, want zij druischte al te zeer tegen onze denkgewoonten in. Maar zij verdient met aandacht aan de feiten getoetst te worden. Dan zal ook blijken, hoeveel winst ons het oudere onderzoek gebracht heeft. Wij behoeven aan Doornroosje ons vernuft niet te verspillen, want wij weten nu, dat dit eigenlijk nooit een echt volkssprookje geweest is en dan ook eigenlijk alleen op Duitsch en op Keltisch gebied gevonden wordt. Wij hebben leeren scheiden tusschen wat echt oud volksbezit is en wat eerst later overgenomen werd; wij kunnen nu ook vervolgen, hoe het eene sprookje zich met verbazingwekkende kracht heeft gehandhaafd en een ander daarentegen in den loop der eeuwen steeds meer verkwijnt. Hier opent zich een gebied van wetenschappelijk onderzoek, dat vooral in den tegenwoordigen tijd de toewijding van jonge geestdriftige werkers behoeft. Maar deze ook stellig zal weten te wekken.

Wij keeren tot ons uitgangspunt terug: de verhouding van sprookje en mythe. Nu wij weder durven vermoeden, dat onze Indo-Germaansche stamvaders verhalen gekend hebben, die met onze sprookjes vergeleken mogen, worden, kunnen wij de vraag naar den samenhang met de mythe niet meer ontwijken. Er zijn inderdaad te opvallende overeenstemmingen tusschen beide, dan dat wij ze nu nog ter zijde zouden kunnen schuiven. Maar wij zijn niet verplicht, om aan te nemen, dat het Indo-Germaansche sprookje eigenlijk een mythe zou zijn geweest. Het is mogelijk, dat in dien oertijd tegelijk sprookje en mythe naast elkander geleefd hebben. Want wij moeten wel bedenken, dat er tusschen beide, naast veel overeenstemmingen, ook zeer veel verschil bestaat. Ja, dat zij in wezen geheel verschillende geesteshoudingen vertegenwoordigen. De mythe wortelt in het geloof; zij vertelt de daden van goddelijke machten, die in den cultus vereerd werden. Die daden zijn een mythische werkelijkheid, dat wil zeggen een werkelijkheid, die wij telkens weer ervaren, wanneer een mythe verhaald of opgevoerd wordt. De mythe is de grondslag van ons leven; daarin is eens vooral uitgedrukt, wat in het bestel der wereld een niet weg te denken realiteit is. Anders echter het sprookje. Het is verhaal en niets meer dan dat. Het eischt geen geloof; het verplicht niet tot navolging. Het dient tot ontspanning en vermaak. Het behoort tot het gebied van de kunst, niet tot dat van het geloof. Het is geen ontluisterde mythe; het is iets wezenlijk anders dan de mythe. En toch vertoont het daarmede een wonderlijke gelijkenis, men zou kunnen zeggen, een wezenlijke identiteit. De sprookjesheld, die in zijn jeugd veracht en verstooten is, wiens leven bedreigd wordt en zich voor vijandige machten verborgen moet houden, maar die zich tegen alle weerstanden in toch doorzet en zich ten slotte in zijn heroïsche heerlijkheid openbaart, hij handelt niet anders dan Herakles of Jason, of welke andere mythische figuren ook, hij is in wezen aan dezen gelijk.

Sprookje en mythe putten uit dezelfde ervaringen der Indo-Germaansche ziel. Zij drukken beide uit het streven van den Indo-Germaanschen mensch, namelijk zich in het chaotische gewoel der wereld als ordenende macht te stellen, namelijk door den heroieken inzet van de gansche persoonliikheid zijn eigen bestemming te verwerkelijken. Mag men dezen mensch faustisch noemen, hij is dit niet alleen in het werkelijke leven, maar ook in de gefantaseerde schijnwereld van het sprookje. Dezelfde oerbeleving der Indo-Germaansche ziel spiegelt zich in mythe en sprookje, maar in beide op wezenlijk andere wijze. Zij staan ten opzichte van elkander niet in een genetisch verband, maar zij zijn op een zelfde diepere werkelijkheid betrokken. Dit primaire -waarlijk niet hetzelfde als primitieve- zijnsbewustzijn, die strijd om den waarachtigen zin van het leven, drukken zich in beide uit, maar in het sprookje als een gedroomde verbeeldingswereld, in de mythe als een geloofde werkelijkheid. Is het wonder, dat de droom van het sprookje ons menigmaal zoo treffend reëel en dat anderzijds de mythe ons een zinrijk spel der verbeelding toeschijnt? Zij kunnen dit zijn, omdat alleen onze houding tegenover hen bepaalt, in welke rol zij voor ons optreden. Voor den ongeloovige wordt de mythe een onwerkelijk verhaal; voor hem die in de sfeer van het sprookje leeft, is het een openbaring van wat aan de werkelijkheid en haar diepste wezen beantwoordt.

Ten slotte nog dit. Als het waar mocht zijn -en daaraan te twijfelen, schijnt mij slechts zaak van een onvruchtbaar relativisme- dat zich in ons sprookje, in het echte wondersprookje openbaart, hoe de heldhaftig strijdende mensch zich tegen alle demonische machten weet door te zetten en in dien vermetelen strijd mag rekenen op de hulp van alle opbouwende levenskrachten -in het sprookje gesymbolizeerd door de dieren, die den held in zijn nood bijstaan- dan behoeven wij natuurlijk niet te aarzelen, het sprookje aan onze jeugd te vertellen. Integendeel, hier ligt de vrucht van eeuwenoude ervaring van ons ras, waaraan de ziel onzer kinderen meer dan ooit behoefte heeft.

Prof. Jan de Vries