Drieërlei soorten geloof

Toen de eerste afleveringen van het groote "Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens" verschenen waren, kwamen er van verschillende zijden verontwaardigde protesten tegen den titel. Aan het woord "Aberglaube" kleeft nu eenmaal de smet van het minderwaardige, evenals trouwens aan ons eigen woord "bijgeloof". Het kenschetst de daaronder vallende verschijnselen als afwijkende van, ja zelfs als tegenovergesteld aan een bepaald "echt" geloof. Immers "Aberglaube" beteekent eigenlijk "tegengeloof" of wellicht voorzichtiger omschreven "onjuist, verkeerd geloof", terwijl ons woord "bijgeloof" (evenals merkwaardigerwijze het IJslandsche "hjátrú")op de naast het officieele geloof in het verborgen levende religieuze voorstellingen wijst.

In beide gevallen is er dus een geloof als norm, ten aanzien waarvan andere onder het volk levende godsdienstige voorstellingen gewaardeerd worden en dan ook principieel als minderwaardig worden afgewezen. Terwijl men dus eenerzijds talrijke elementen der plattelandsche kultuur (ik denk aan de boerenwoning, aan de huisvlijt, aan lied en sprookje) naast de verschijnselen der zoogenaamde hoogere beschaving met groote geestdrift als onbetwijfelbaar kultuurgoed aanvaardde, scheen er ten aanzien van de godsdienstige voorstellingen en gebruiken van het volk geen kans op eerherstel te bestaan en werden zij als een primitieve en daarom ook verwerpelijke superstitie veroordeeld.

De uitgevers van het Handwörterbuch hebben wel degelijk gevoeld, dat er tegen den door hen gekozen naam bezwaren waren in te brengen. Zij verdedigden zich daartegen, door op te merken, dat het woord "volksgeloof", dat ook in aanmerking gekomen was, toch niet geheel aan den aard der stof beantwoordt, die zij in hun lexicon wilden bijeenbrengen. Zij gaven toe, dat "volksgeloof" in menig opzicht een objectiever term was, omdat er geen oordeel in uitgesproken werd, maar anderzijds omvatte het toch ook verschijnselen, die zij onmogelijk tot het onderwerp van hun woordenboek konden rekenen, zooals al die voorstellingen, die onder het volk leven ten aanzien van de geloofswaarheden van het Christendom.

Terecht merken zij op, dat er nog veel onklaarheid heerscht over de begrenzing der hier genoemde begrippen. Dit echter is wel zeker: de stof, die het "Handwörterbuch" biedt, behoort inderdaad voor het allergrootste gedeelte tot wat wij met het volste recht bijgeloof kunnen noemen; de meerderheid der trefwoorden hebben betrekking op kras bijgeloof, in den duidelijk uitgesproken zin van toovenarij en magie. Indien de uitgevers zich op het standpunt van het volksgeloof geplaatst hadden, dan zouden zij allerlei dingen niet hebben kunnen opnemen, die zij nu wel behandeld hebben; zij noemen in dit verband zelf reeds voorstellingen en praktijken, die uitsluitend in de literatuur voorkomen en nooit onder het volk verbreid waren.

Naar den opzet van dit woordenboek is het gebruik van den term "Aberglaube" zeker gewettigd. Het bedoelde ook niet anders te bieden. Men zou het kunnen betreuren, dat bovendien werkelijk "volksgeloof" in zijn kolommen een onderkomen gevonden heeft en daardoor in onwaardig gezelschap geraakt is. Maar dan zal men toch moeten toegeven, dat de grenzen vaak moeilijk te trekken zijn en dat wij den uitgevers dankbaar mogen wezen voor het rijke materiaal, dat zij bijeengebracht en bewerkt hebben. Het blijkt intusschen, dat de uitgevers zich toch de achter deze termen schuilende problemen niet geheel bewust geworden zijn. Wanneer zij een poging wagen een definitie te geven van wat zij in strikt objectieven zin onder bijgeloof willen verstaan, dan luidt deze als volgt: "Bijgeloof is het geloof aan de werking en waarneming van natuurwetenschappelijk onverklaarde krachten, voorzoover deze niet in de godsdienstleer zelf gegrond zijn". Onder godsdienst willen zij dan verstaan: "de geloovige overgave van den mensch aan een liefhebbende, zijn lot beschikkende macht, niet als een bepaald kerkelijk stelsel van godsvereering en van godsdienst".

Men raakt met deze begripsbepaling echter op hopelooze wijze in allerlei tegenstrijdigheden verward. In plaats van een definitie voor bijgeloof krijgen wij er een van geloof, die bovendien zeer aanvechtbaar is. Zijn de antieke godsdiensten, die der Grieken, der Romeinen, der Germanen nu werkelijk "godsdienst", of blijft dit eigenlijk alleen - gezien uit een duidelijk gekozen Duitsch standpunt (het is immers een "Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens") - aan het Christendom voorbehouden? Men zou geneigd zijn dit te vooronderstellen wegens de inlassching van het epitheton "alliebend" voor de goddelijke macht. Daarmede is echter nu ook werkelijk de grond onder het volksgeloof weggetrokken en valt het onweerhoudbaar in de diepe put van het bijgeloof. Maar de uitgevers willen ook alleen bijgeloof behandelen en zij schromen eigenlijk daaraan den naam te geven, die hun stof verdient: magie. Hierop immers slaat de formuleering: "geloof aan de werking en waarneming van natuurwetenschappelijk onverklaarde krachten", die men kan toepassen op spiritisme, dierlijk magnetisme, hypnose en alle soorten van hoogere of lagere, witte of zwarte magie, maar juist bezwaarlijk op geloof. Daarom heeft men de magie ook wel eens willen beschouwen als een primitieve wetenschap, omdat de mensch, zij het ook op ontoereikende wijze, met natuurverschijnselen manipuleert, zonder hun wetten te kennen, maar niettemin toch reeds door zekere ervaring geleid. Maar wie zou in ernst de Christelijke voorstellingen der almacht Gods willen omschrijven als een "natuurwetenschappelijk onverklaarde kracht"? Welnu, zelfs Zeus en Apollo, Juppiter en Mars, Odin en Thor zijn meer dan dat en de cultus, die hun gebracht werd, had zijn bron en diensten bestaansgrond in heel wat diepere zielsbelevenissen dan in een geloof aan natuurwetenschappelijk on- verklaarbare verschijnselen. Indien dit zoo ware, dan zou de voortgang der wetenschap in de 19de en 20ste eeuw inderdaad het einde van den gods- dienst beteekend hebben, daar met elk ontraadseld natuurgeheim de werkingssfeer der goddelijke macht zou zijn ingeperkt.

Wel duidelijk blijkt uit een dergelijke beschouwing, hoezeer de achter ons liggende periode buiten alle mythe leefde. Nu wij langzamerhand weer zijn gaan beseffen, dat het menschelijke leven eerst zijn zin krijgt, indien het in een mythe wortelt en nu daarom sinds Hölderlin de beste geesten van Europa gestreefd hebben naar een hernieuwing van den mythischen ondergrond van ons menschelijk bestaan, doen dergelijke beschouwingen over "natuurwetenschappelijk onverklaarde krachten" kinderlijk-onbeholpen aan. Alsof het probleem hier lag en niet veeleer in de wijze, waarop de mensch zich tegenover de benauwende raadselen van leven en kosmos plaatst! Het blijkt nu eerst duidelijk, hoezeer de uitgevers van het "Handwörterbuch" hun taak bezien hebben uit het oogpunt van de magie. Deze is - wij merkten het reeds op - een pseudo-wetenschap, die werkt met fictieve bovennatuurlijke krachten, welker bestaan door het voortschrijden der echte wetenschap in gevaar gebracht wordt. In den huidigen tijd tiert de magie het weligst in die gebieden, waar de wetenschap nog het minst terrein heeft kunnen veroveren: in de verborgenheden van de menschelijke ziel; dat is de reden, waarom in tijden van crisis de menschen der groote stad hun toevlucht zoeken bij quasi-wetenschappen als spiritisme, karakterkunde, horoskooptrekkerij en dgl. Maar hier is dan ook juist niet van geloof sprake. Nu de uitgevers zich eenmaal op dit standpunt geplaatst hebben, kan men het billijken, dat zij hun werk niet met den titel "volksgeloof" bezwaard hebben, daar het boek eigenlijk toch niet anders en niet meer dan bijgeloof wilde bieden.

Het is nu eenmaal zoo, dat de term volksgeloof geen duidelijke begrenzing toelaat. Het behoort eensdeels tot het bijgeloof, maar anderzijds niet minder tot het geloof. Men zou deze verhouding schematisch aldus kunnen vaststellen:

Met deze figuur heb ik het volgende willen uitdrukken. Volksgeloof bevat een aantal voorstellingen, die inderdaad tot het gebied van het bijgeloof, in den engeren zin van magie, behooren. Wanneer het vee door het nootvuur gedreven wordt, om het tegen ziekte te beschermen, dan kan men dit als een uiting van de magische kracht van het vuur beschouwen.. Het vuur loutert - dat heeft zelfs de moderne natuurwetenschap bewezen en praktisch toegepast! Als heksen op een bezem door de lucht heeten te rijden, dan is dit een voorstelling, die met natuurwetenschappelijk onverklaarde (en zelfs onverklaarbare) krachten opereert. Het genezen van kinderen door ze door de holte van een boom te trekken berust op de werking van de contactmagie. Indien wij ze tot het volksgeloof rekenen, dan is het daarom, omdat zij van de oudste tijden af deel hebben uitgemaakt van het Germaansche gebruik en dus niet als zooveel der tegenwoordig nog levende magie uit de Hellenistische - en dus in den grond uit de Vooraziatisch-Oostersche - magie is afgeleid. Maar daar komt nog dit bij, dat hier inderdaad ook elementen van een geloof onder schuilen kunnen: in de heiligheid van het vuur en van den boom, in de overdraagbaarheid van bijzondere zielskrachten.

Volksgeloof reikt ook in het gebied van het eigenlijke geloof. Daarop wezen reeds de uitgevers van het "Handwörterbuch": wat het volk zich voorstelt van de Christelijke geloofswaarheden als de Drie-eenheid, den Heiligen Geest, de begrippen van zonde en genade, van laatste oordeel en vagevuur, dat wijkt in menig opzicht van de officieele kerkleer af en is dus een produkt van den volksgeest zelf. Deze dingen zijn uiterst belangrijk om de mentaliteit van het volk te leeren verstaan; men zou uit de vergelijking van deze reacties ten opzichte van de Christelijke voorstellingen bij de verschillende volkeren materiaal voor belangwekkende volkspsychologische studiën kunnen vinden. Wie dit echter bijgeloof zou noemen, zou toch stellig een te hard oordeel uitspreken. Het is weliswaar geen zuiver, geen dogmatisch en kerkelijk geapprobeerd geloof, maar er spreekt toch wel degelijk het echte verlangen uit, de Christelijke geloofswaarheden tot geestelijk eigendom te maken en ze te beleven in een vorm, die voor den volksmensch geschikt is. Ik heb in het schema een open ruimte tusschen bijgeloof en geloof gelaten, om daarmede aan te duiden, dat het volksgeloof nog een gebied omvat, dat tot geen van beide behoort. Hier nu - het behoeft nauwelijks te worden betoogd - ligt, indien volksgeloof inderdaad een eigen werkingssfeer bezit, zijn wezenlijke waarde. En het is juist deze lacune, die het Handwörterbuch met bewust opzet openlaat, omdat het geen aandacht heeft voor de problemen, die op dit gebied hier rijzen.

Natuurlijk behandelt het wel degelijk verschijnselen, die onder het hoofd "volksgeloof" vallen. Het voortreffelijke artikel van Meuli over "maskers" is vol materiaal, dat thuishoort op het terrein van het echte volksgeloof en volstrekt niet op dat van de magie. Zoo is er stellig meer onder allerlei trefwoorden verborgen. Maar deze dingen worden niet behandeld uit het eenig gerechtvaardigde gezichtspunt, n.l. dat van het geloof. Want geloof raakt nu eenmaal het innerlijkste en het wezenlijkste van den mensen,. Die al of niet natuurwetenschappelijk verklaarbare krachten behooren tot het kenbare deel van de wereld, die zijn geheimen moet prijs geven, naarmate de vorschende geest dieper dringt in de raadselen der natuur. Maar die vorschende geest komt nooit tot den oergrond, waaruit het waarachtig geloof ontspringt; hij blijft, daarbij vergeleken, steeds aan de oppervlakte hangen. De materialistische geleerde der 19de eeuw verloor door zijn wetenschap zijn geloof, omdat zijn geest zoo droevig ondiep geworden was en het was een opmerkelijk teeken van de toenmalige begripsverwarring, dat men het naast elkander bestaan van geloof en wetenschap met kracht van argumenten meende te moeten bewijzen. Dat een dergelijke onvoldoende diepgang der geesten ook heden nog voorkomt en zelfs een bedenkelijken invloed op de huidige gedachtenwisselingen uitoefent, blijkt reeds daaruit, dat wij - gelijk een vorig geslacht door het historisch materialisme - nu door een niet minder verderfelijk biologisch-materialisme bedreigd worden. Weinigen zullen ontkennen, dat aan de Christelijke geloofsvormen, van welke schakeering dan ook - hoe negatief men daartegenover ook uit hoofde van de eigen wereldbeschouwing moge staan - een levenservaring van een zeer bepaalde soort ten grondslag ligt. De Christen gelooft niet, omdat er een aantal dingen in de wereld nog niet voldoende verklaard zijn en hij zich dus met een voorloopige hypothese tevreden moet stellen, maar uit een innerlijken drang des harten. Het "quia absurdum" toont ons immers den geloovige, die tegen de evidentie der feiten in aan zijn irrationeel geloof vasthoudt. Deze geloovige beleeft God in eigen ziel direct en onmiddellijk. Zijn plaats in het leven is alzijds bepaald door zijn verhouding tot God. In alle wezenlijke levensdingen is deze betrekking beslissend. Want de ervaringen, die bij hem het religieuze gevoel opwekken, mogen nog zoo wetenschappelijk verklaarbaar zijn - natuurrampen, ziekte en dood- zij zijn nu eenmaal zijn ervaringen en wekken dus in zijn ziel een reactie, die onmiddellijk op de eigen persoonlijkheid en op zijn plaats in den kosmos betrokken is.

Het gaat inderdaad niet om de godsdienstige vormen en stelsels, om dogma's en leermeeningen, maar om het religieuze beleven zelf. Dit valt volkomen buiten het eigenlijke bijgeloof en waar wij haar in magische praktijken toch meenen op te merken, moeten wij haar scherp beluisteren, of juist hier niet een aanwijzing is voor iets anders en iets meer dan bijgeloof. Gaat men er echter van uit, dat de godsdienstige beleving de hoofdzaak is, dan spreekt het vanzelf, dat de zoogenaamde heidensche godsdiensten ook in den volsten zin des woords godsdiensten waren. Niemand zal den trotschen bouw van het Parthenon kunnen verstaan, zonder het geloof, dat het geschapen heeft. De plaats, die Odin in het leven van de mannen van de gevolgschap innam, is zoo bijzonder, dat zij zonder een daarachter liggend vurig geloof eenvoudig niet begrepen kan worden. Het volksgeloof is dus de wijze, waarop de volksmensch zich ten opzichte van leven en kosmos verhoudt. Het is deels Christelijk, deels is het dit niet. Wij spraken reeds over het eerste element. Ons oordeel daarover zal geheel anders reeds uitvallen, naarmate wij het van kerkelijk of van Germaansch standpunt beschouwen. In het eerste geval zullen wij negatief waardeeren, wat juist uit volksch oogpunt positief zal worden beoordeeld. De afwijkingen immers ten opzichte van de kerkelijke leerstellingen zullen, van Christelijke zijde gezien, tekortkomingen zijn, die het ware Christelijke geloof ontsieren. Maar de volksche onderzoeker zal ze bestudeeren als de uitingen van den eigen volksgeest, die zich juist daar openbaren, waar een tegenstelling bestaat tusschen den geest van het Christendom en de Germaansche mentaliteit. Daarbij is een oordeel óf hooger dan wel lager nauwelijks van gewicht; hoofdzaak blijft het onderkennen van het anders-zijn.

Deze tegenstelling heeft juist in de laatste jaren sterk de aandacht getrokken. Zij verdient dan ook onze volle belangstelling. Ik bedoel dit niet in een polemischen zin, zoodat men hieruit een strijdwapen zou kunnen smeden tegen een "volksvreemd" Christendom, maar ik wil dit zuiver als object van wetenschappelijke behandeling beschouwen, die zich ten doel stelt het Germaansche wezensmerk te bepalen. Hier zal juist de beschouwing der reacties ten aanzien van vreemde godsdienstige voorstellingen de allerbelangrijkste aanwijzingen kunnen geven. Onlangs heeft Wolf Goegginger ten aanzien van deze vragen de Duitsche volksgebruiken onderzocht. Al bepaalt zijn boek "Volksreligion und Weltreligion im deutschen Brauchtum" zich tot de Duitsche verschijnselen, zij hebben ook voor ons volk belang, omdat er tusschen de volksgebruiken van Nederland en Duitschland zoo groote overeenstemming bestaat, dat men gerust van identiteit spreken kan. De termen "wereldreligie" en "volksreligie" zijn niet kwaad gekozen. Duidt de eene op het supranationale, dus voor alle rassen der aarde geldende karakter, de andere blijft beperkt tot het bepaalde volk, waarbinnen zij ontstaan is. Een wereldreligie zal zich dus moeten richten tot elken mensch afzonderlijk, omdat zij den mensch in zijn gebondenheid aan ras en volk niet erkennen kan; zulk een godsdienst werd eens door een begenadigd profeet aan de heil verlangende menschen verkondigd en gewoonlijk stamde zijn leer van een hem geschonken goddelijke openbaring. In een volksreligie put de mensch echter zijn religieuze belevenis in en uit de volksgemeenschap, waartoe hij van nature behoort; hier vormt de godsdienst als het ware den mythischen ondergrond van den ganschen sociaal-politieken bovenbouw.

Zulk een godsdienst is daarom ook altijd ten nauwste gebonden aan de sociale structuur, die hij als het ware heiligt, door haar een transcendenten oorsprong toe te kennen. Een volksreligie plaatst den mensch niet in een zuiver persoonlijke verhouding ten opzichte van de metaphysische wereld, maar betreft hem alleen en uitsluitend als lid der gemeenschap. Hij zal dus tot zijn goden niet naderen door het stille gebed in zijn binnenkamer, maar in het gemeenschappelijk gevierde offermaal. Als nu Goegginger het aandeel van de volksreligie en van het Christendom aan de volksgebruiken der lente- en zomerfeesten bepaalt, dan blijkt het hoeveel oudheidensch gebruik in Christelijke vermomming - ja soms zonder eenig blijk van verchristelijking - tot op heden is blijven leven. Niet het openbaringsgeloof was de groote vijand der uit het heidendom stammende volksoverlevering, hoe scherp het ook door de eeuwen heen deze bestreden heeft, want de sociale structuur der plattelandsche bevolking bleef ongerept en daarmee de reëele ondergrond van de menschelijke betrekkingen tot de mythische wereld. Maar zoodra de maatschappelijke omwenteling van den modernen tijd haar invloed ook ten plattelande uitoefende, geraakte ook hier de oeroude sociale structuur aan het wankelen en werd de volkstraditie in den wortel getroffen.

Het resultaat, waartoe Goegginger gekomen is, brengt ons geen verrassing. Het onderzoek hield immers sedert Grimm daarop reeds voortdurend het oog gericht. Daardoor wisten wij reeds lang, dat het Christendom zelf uitermate weinig bijgedragen heeft tot de ontwikkeling der volksgebruiken, hetgeen het ook wegens zijn instelling op het heil en de verlossing van den individueelen mensch bezwaarlijk had kunnen doen. Het heeft wel veel oud gebruik afgebroken en het moest dit wel doen, omdat het daarin den taaien weerstand van het slechts in schijn overwonnen heidendom bevechten moest. Het is nog verwonderlijk, dat zich na duizend jaar energieken strijd - eerst van de Katholieke kerk tegen de heidensche superstitiën, toen van het Protestantisme tegen de als Paapsche stoutigheden gebrandmerkte oude overleveringen - nog zooveel volksgebruik gehandhaafd bleef. Zooals wij boven reeds aanduidden, ligt de verklaring in het behoud van de maatschappelijke structuur en van haar verankering in het goddelijk wereldbestel.

Het is een strijdvraag, of voor den modernen mensch een terugkeer tot het Germaansche beleven der religieuze waarden nog mogelijk is. Misschien is de twijfel gerechtvaardigd, of wij in zulk een keus nog vrij zijn. Of men dus het Christendom als een al te lang gedragen en daardoor versleten opperkleed weg zou kunnen werpen, om in naakte natuurlijkheid het leven opnieuw te beginnen. Wie zoo oordeelen, onderschatten de beteekenis van een duizendjarig heerschen van een geloof, dat waarlijk niet alleen een uiterlijke en daardoor onbegrepen vormendienst was, maar Germaansche mannen als Eckehart en Luther tot in het diepst van hun ziel getroffen heeft. Men kan van meening verschillen over de vraag, of het Christendom in zijn huidige kerkelijke vormen en met zijn tegenwoordige dogmatische formuleering nog aan de behoeften van den Germaanschen mensch beantwoordt, maar het heeft zulk een integreerend aandeel aan den ontwikkelingsgang onzer Westersche kultuur gehad, dat wij het niet als de druppels van een olie jas zullen kunnen afschudden. De wetenschappelijke bezinning op deze problemen richt zich niet in de eerste plaats op dezen vorm der antithese tusschen Christendom en volksreligie. Zij begint echter eerst langzamerhand de eigenlijke problemen te zien. Het is heel nuttig en interessant om de vuren, die op bepaalde tijden van het jaar aangestoken worden, te bestudeeren, kaartjes van hun voorkomen te teekenen, de historische ontwikkeling en de verhoudingen tot gelijksoortige gebruiken bij andere volken te onderzoeken, maar daarmee is toch allerminst de kern van het probleem geraakt. Indien deze vuren een oude cultushandeling zijn - en daaraan twijfelen wij natuurlijk niet - dan willen wij weten, wat daarvan het religieuze beleven uitmaakte en of dit heden ten dage nog in een of anderen vorm aanwezig is. Daarnaar heeft de volkskunde in haar koortsachtig verzamelen van feiten nog te weinig gevraagd. Dat het aansteken van Paasch- of Meivuur inderdaad nog altijd de deelnemers een religieuze emotie geeft, blijkt reeds daaruit, dat bij hernieuwing van dit gebruik onder leiding van de geestelijkheid het zingen van godsdienstige liederen ingevoerd werd - wel een bewijs hoezeer men het noodig achtte, die religieuze beleving in kerkelijk-Christelijke banen te leiden.

Wij zouden meer willen weten van het geloofsgehalte der oude volksgebruiken. Dit verraadt ons juist iets van de werkelijke functie, die zulk een gebruik in den voorchristelijken tijd gehad heeft. Wanneer men ziet, hoe de deelnemers aan den Perchtendans in Zuid-Duitschland geheel in dit ritueel opgaan en daarbij zelfs in een extatische geestvervoering geraken, dan beseft men eerst, hoe hevig het gebruik, toen het nog geheel en ongebroken uit zijn eigen mythe leefde, de menschen moet hebben gegrepen. Naast de emotie, die het gemeenschappelijk beleven van een door traditie geheiligde handeling steeds in de deelnemers wekt, moet men in zulk een geval toch stellig ook een bijzonder godsdienstig element aanwezig achten. Het is opmerkelijk, hoe soms de religieuze houding als volkomen onbegrepen rest gehandhaafd blijft. Ik neem als voorbeeld het hinkelspel. Dat dit merkwaardige voorjaarsspel het laatste overblijfsel is van een eens zinvolle heidensche cultushandeling, behoeft geen betoog - dit geldt trouwens van nagenoeg alle kinderspelen. Nu is het een vast voorschrift, dat bij het hinkelen niet gesproken of gelachen mag worden. Men kan uit zulk een karakteristieken trek van dit spel, die uit den aard der uit te voeren bewegingen noch uit dien van het te bereiken doel verklaard kan worden, zich een indruk maken van den heiligen ernst, waarmee de daaraan ten grond liggende heidensche handeling eenmaal uitgevoerd werd.

Naast den vorm der gebruiken staat dus ook de wijze, waarop zij door het volk worden beleefd. Daarop is tot op heden nog veel te weinig de nadruk gevallen. Men kan wellicht zeggen, dat juist dit element van religieus gevoel de volksgebruiken voor afsterven heeft behoed en dat een gebruik langer en gaver is blijven leven, naarmate het daarmede sterker geladen was. Het is daarom ook onjuist te denken, dat uit die oude gebruiken iets nieuws zou kunnen ontstaan, dat voor ons moderne menschen een existentieele waarde zou hebben. Want de mythe, waaruit die heidensche wereld van ritueele handelingen haar rechtvaardiging kreeg, is voor goed gestorven en wat wij als riten zouden willen instellen, moet eerst zijn innerlijke wijding ontvangen van de mythe, die voor ons den zin van het leven bepaalt. Ten hoogste kan men spreken van een zichzelf gelijkgebleven levensgevoel, dat als onmiddellijk uitvloeisel van den aangeboren rasaanleg ons dan ook als onveranderlijk geestelijk bezit zal blijven kenmerken. Uit dit levensgevoel zullen gelijksoortige religieuze grondhoudingen voortvloeien, die steeds weer dezelfde reacties doen ontstaan. Maar in welke vormen deze zich zullen kleeden, vooral ook van welken dieper daarachter verborgen zin zij de uitdrukking zullen zijn, dat hangt af van de conceptie der wereld en van den mensch als deel van den kosmos, dat wordt bepaald door de mythe, waaruit het volk leeft.

Het is te begrijpen dat een mythenlooze tijd als de 19de eeuw naar deze dingen niet vroeg. Wij staan op het oogenblik anders tegenover het leven, berooider, verlatener. Wij hebben het besef, dat ons voor een zinvol beleven der werkelijkheid een mythe ontbreekt. Wij lijden nog aan hetzelfde gemis als het vorige geslacht, maar wij zijn ons daarvan smartelijk bewust. Terwijl onze vaders en grootvaders zich konden verheugen in het gelukkige gevoel, dat zij onder een ontgoddelijkten hemel in nuchtere klaarheid konden wandelen, beklemt ons juist de leegheid van de transcendente ruimte. Maar wetende, dat een mythe niet willekeurig kan worden bedacht, toch hopende, dat zij eens - bij het rijpen der tijden - in onszelf spontaan tot werkelijkheid zal worden, zien wij hunkerend en toch vol vertrouwen naar de verborgen toekomst, weliswaar met den twijfel van een Hölderlin in het nog onrustig kloppende hart, maar niet meer met zijn vertwijfeling. Wat wij kunnen en moeten doen, is dus een blootleggen van de geestelijke wortels, waaruit wij gegroeid zijn. Het volksgeloof kan ons bij dit onderzoek van nut zijn, wanneer wij het althans niet opvatten als een verzameling van religieuze en magische survivals, maar als een uitdrukking van Germaansche levenshouding. Dan is het niet van belang te weten, welke tooverformule er tegen de slangenbeet gepreveld wordt of hoe men aan de kinderen de herkomst der borelingskes tracht aannemelijk te maken.. Maar hoe het volk in zijn dagelijkschen handel en wandel het met zijn leven en de wereld klaarspeelt. Dan is het van oneindig meer belang te weten, hoe de mensch zich tegenover het noodlot verhoudt en welke plaats het daaraan toekent in zijn leven. Wij spreken .nog gaarne van een boerenfatalisme, dat soms in merkwaardig conflict schijnt te staan tot de verhouding waarin de boer als Christen de Almacht Gods aanvaardt. Maar er is velerlei soort van fatalisme: het Germaansche is anders dan het Oostersche. Is dit Germaansche fatalisme, dat wij zoo goed kennen uit de oude heldenpoëzie en vooral uit de IJslandsche saga's, onder het huidige boerenvolk nog in zijn oereigen structuur bewaard en in welken zin heeft de daaraan tegengestelde Christelijke leer het verbogen of wellicht grootendeels verdrongen ? Zulke vragen zijn van belang, omdat zij het brengen tot het onderkennen van de grondstructuur der Germaansche psyche, waarmee de religieuze beleving van den Germaanschen mensch onverbrekelijk verbonden is.

Dit zijn trouwens oeroude problemen. Zij hebben reeds in den tijd van de kerstening de geesten beroerd, maar wat toen als oplossing beproefd werd, was niet anders dan stukwerk. De praktijk der bekeering was te simpel, om zich over zulke vragen het hoofd te breken. Als Paus Gregorius den Christenpredikers in Engeland aanraadt de oude heidensche tempels, indien zij ten minste nog in behoorlijken staat verkeeren, als Christelijke kerken in te richten, opdat het volk, van oudsher gewend tot deze heilige plaatsen op te gaan, dit ook in de toekomst getrouwelijk zal kunnen blijven doen, dan blijkt hij zich juist van deze vragen onvoldoende rekenschap te hebben gegeven. Op deze wijze bleef immers de Germaansche mensch inderdaad dezelfde paden bewandelen, waarlangs hij ook den weg tot zijn heidensche goden gevonden had en het levensgevoel, dat met zijn religieuze handelingen verbonden was, bleef vrijwel ongeschokt bestaan. De Christenprediker, die de godenbeelden van hun voetstuk rukt en de tempels in brand steekt, blijkt instinctief gevoeld te hebben, dat uit het hart der menschen alle binding aan het vroegere religieuze leven verbroken moet worden, willen zij voor de Christelijke leer ontvankelijk worden. De eigenaardige gesteldheid van de Germaansche ziel willen wij leeren kennen. Uit de literatuur van het heidensche verleden zoo goed als uit de huidige volkstraditie. Deze is nu reeds vele tientallen jaren ijverig doorvorscht; toch kan men kwalijk zeggen, dat men meer heeft gevonden dan de uiterlijke vormen, waarin zich het zieleleven kleedt. Hoe zou dit ook anders kunnen, waar wij bij het onderzoek van den godsdienst der heidensche Germanen ook eerst in de allerlaatste jaren tot het stellen van dergelijke vragen gekomen zijn en nu eerst trachten het innerlijk beleven van den Germaanschen geloovige te begrijpen?

Willen wij ditzelfde doen op volkskundig terrein, dan zullen wij ons daartoe met een nieuwe methode moeten uitrusten. Voor het onderzoek van zulke problemen baten geen vragenlijsten; dan moet men het hart van het volk zelf beluisteren. Slechts hij, die van jongsaf met het volk vertrouwd is en die in staat is de reacties, welke bij den volksmensch door de ervaringen van het leven gewekt worden, ook in zichzelf te beleven, zal tot een oordeel bevoegd zijn, wat er van de Oudgermaansche levenshouding door de eeuwen heen onaangetast gebleven is en ook in de toekomst onaantastbaar blijven zal. Gesteund door een gelijkgericht onderzoek van de Oudgermaansche bronnen, kan men hopen tot zekere resultaten te komen, die ons openbaren, van welken aard de Germaansche geloovigheid is. De studie van het. volksgeloof heeft dus wel heel wat hooger doel, dan het verzamelen van bijgeloovige opvattingen en praktijken, of het bepalen van de wijze, waarop Germaansche menschen het Christendom hebben verwerkt. Indien zij gericht is op deze existentieele vragen, zal zij een koninklijke rol in het complex der wetenschappen, die zich de kennis van den Germaanschen mensch ten doel stellen, kunnen spelen.

Prof. Jan de Vries