Sibbe en graf in de Oudheid

“Auch von den Toten bleibt auf Erden noch ein Schein zurück, und die Nachgelassenen sollen nicht vergessen, dass sie in seinem Lichte stehen, damit sie sich Hände und Antlitz rein erhalten.”

Theodor Storm.

Hunebedden en grafheuvels zijn de meest opvallende oudheidkundige verschijnselen in ons land (Nederland). Zij getuigen van de grote piëteit, waarmede voor de gestorvenen van sibbe en stam, de laatste rustplaats werd ingericht. De hunebedden inzonderheid hebben geslachten lang tot begraafplaats gediend. Telkens opnieuw werden de doden onder grote ceremoniën, vooral dodenmalen, op de met kleine veldkeien bedekte vloer neergelegd naast de reeds vroeger gestorvenen. Het gevolg is, dat de kelder van een hunebed thans vol ligt met resten van aardewerk en stenen bijlen en sieraden, deels de dode als gave meegegeven, deels waarschijnlijk gebruikt bij deze dodenmalen. Veelvuldig komt het voor, dat op een zeker moment de grafkelder te vol werd, waarna deze dus ontruimd moest worden. Wij vinden dan de voorheen in de kelder aanwezige aardewerkresten buiten het hunebed in een kuil bijeen, terwijl de kelder zelf weer nieuwe resten bevat.

Hierdoor is het dus duidelijk, dat inderdaad de hunebedden op te vatten zijn als sibbengraven voor de gezamenlijke leden van een kleine gemeenschap, die waarschijnlijk ook bij hun leven in een dorp bijeen huisden.

Het was ook deze zelfde gemeenschap, die eertijds in gezamenlijke arbeid van heinde en verre de grote zwerfstenen bijeenzocht, en versleepte naar de plaats, waar het grafmonument voor vele geslachten verrijzen zou.

Een grote tegenstelling tot deze gemeenschapsgedachte en tot deze gebondenheid aan één grafmonument voor vele geslachten, vormde omstreeks dezelfde tijd (1800 voor het begin van onze jaartelling ongeveer) de grafheuvel voor één persoon, zoals wij deze ook op de Veluwe, in Limburg en Brabant, en in Drenthe aantreffen. Toch komt het ook bij deze grafvorm, die behoort bij een niet aan vaste woonplaatsen gebonden, zeer strijdbaar volk, een enkele maal voor, dat later opnieuw een dode in dezelfde heuvel werd bijgezet. Het is dan echter moeilijk te constateren, of de beide doden in enig familieverband tot elkaar kunnen hebben gestaan. In enkele gevallen was de gelijkenis tussen de grafgiften uit beide graven tamelijk groot, hetgeen een voortzetting van de traditie, en dus het bestaan van een zekere band zou kunnen aanduiden.

In de daarop volgende eeuwen echter is in ieder geval een duidelijke sibbengedachte te herkennen in de dodencultus. De grafheuvels bevatten dan meerdere graven: het oudste in het midden, waaroverheen het zand van de heuvel is opgeworpen, en de latere graven daarin als schachten rondom ingegraven.

Het aantal graven is verschillend. In grote grafheuvels, zoals deze slechts buiten onze landsgrenzen in het Germaanse gebied voorkomen, treft men zeer talrijke graven aan uit vele eeuwen, vanaf ± 1500 vóór tot aan het begin van onze jaartelling.

Wij kennen vooral in het Germaanse Noorden vele heuvels, die in verschillende perioden zijn gebouwd, d.w.z. dat op een bepaald moment de bestaande grafheuvel werd verhoogd en uitgebreid voor een andere bijzetting. Zeer duidelijk was dit het geval bij een heuvel uit de Zuid-Russische Bronstijd. Hier was de heuvel zes maal belangrijk vergroot, steeds voor slechts één graf, tot een hoogte van 5 m. en een doorsnede van 70 m. bereikt was.

In onze grafheuvels is alles wat bescheidener. Wij zullen ermee moeten rekenen, dat enige geslachten lang althans de doden uit de sibbe in onze grafheuvels werden bijgezet. Op de noordelijke Veluwe was een van de eerste heuvels, die onderzocht werd, er een met drie periodes, telkens met andere grafvormen.

Een grafheuvel uit de omgeving van Valthe borg in zich eveneens verscheidene graven. Onder een grafmonument uit Heien lagen in het midden twee kindergraven. Daaromheen en daarbuiten lagen twee volwassenen, waarvan één door het bezit van gouden oorringetjes als vrouw te herkennen was. In wijdere kring lagen daaromheen weer andere bijzettingen, terwijl in de top van de heuvel nog tweemaal een verbrande dode in zijn urn was ingelaten: éénmaal omstreeks 500 vóór onze jaartelling, dus 1000 jaar na de eerste begraving op deze plaats en eenmaal zelfs nog ± 1000 na het begin van onze jaartelling, dus ten tijde, dat minder afgelegen streken reeds geheel gekerstend waren.

Het feit, dat er geen enkele heuvel in Nederland ons bekend is, waar niet in de top minstens één bijzetting van verbrande beenderen, meestal uit de laatste 5 eeuwen voor het begin van onze jaartelling daterend, aangetroffen werd, bewijst, dat de bewoners van ons land zich destijds er volkomen van bewust waren, dat deze heuvels de graven van hun voorouders vormden. Zij legden vaak hun necropolen rondom deze grafheuvels aan.

Veelvuldig komt het voor, dat de grafheuvels namen dragen, zoals bijv. de zeven bergjes (zeven is het “heilige” getal!). In Twente vooral, maar ook elders zijn er vele legenden aan vastgeknoopt: het spookt er vaak, de “witte wieven” zitten er te spinnen, er branden vuren. Alles bewijst, dat in de huidige bevolking nog sterk het besef aanwezig is van het bijzondere, heilige, van deze grafplaatsen.

Zo is het ook verklaarbaar, dat in enkele streken, vooral in het Germaanse kerngebied, de grafheuvels in alle eeuwen de plaats vormden, waar plechtige handelingen verricht werden. Er zijn bijv. grafheuvels, die de naam Galgenberg voeren (ook in ons land). En inderdaad waren zij dan ook de plaats, waar de doodstraf door ophanging werd toegepast, waarmede het wereldse gerecht door de gewijde plek, waar het toegepast werd, een zekere wijding kreeg.

Al deze nuchtere feiten, die door zakelijke, controleerbare gegevens bij opgraving verkregen werden, duiden op de grote eerbied voor de familie, de sibbe, voor de voorouders, die inzonderheid de Germanen ten toon spreidden. En inderdaad weten wij ook uit hun letterkunde, hoezeer de familie in het middelpunt van hun denken stond. Kinderloos te sterven, was de grootste ramp, die hun kon overkomen, en in kwaad en goed, in vreugde en leed, vormde de familieband wel een van de voornaamste drijfveren van hun handelingen. Hun familie ontrouw worden of benadelen, was ondenkbaar. De band met de doden werd over het graf heen in stand gehouden. In dit licht moeten wij ook het feit zien, dat nog in de tijden van de volksverhuizing bijvoorbeeld de vrije Franken wapenen en soms ook het strijdros in hun graf meenamen. Hieraan ligt niet ten grondslag de gedachte aan een leven hiernamaals, waar een en ander hun goed van pas zou kunnen komen. Veeleer is het zo, dat de doden hun wapenen, die hen als vrije mannen kenmerkten, meekregen als hun persoonlijk, onvervreemdbaar bezit, als een soort adelbrief om hen te onderscheiden van de niet-vrijen, de niet-krijgers. Dit bewijs van een waardig bestaan in het stamverband straalde immers ook op hun nakomelingen af, en gaven deze pas het recht, hetzelfde voor zich op te eisen.

Wij stellen dus vast, dat hetzelfde, wat ons, leden van het Verbond van Sibbekunde, beweegt, wanneer wij een kwartierstaat of stamboom van ons geslacht vervaardigen, ook onze voorouders bezielde, minstens van 1500 voor het begin van onze jaartelling af, onverschillig, of zij nu hun doden begroeven of verbrandden, en onafhankelijk ook van een geloof in het voortbestaan in enigerlei vorm na de dood. Inderdaad mag gezegd worden, dat het gevoel van verbondenheid van het individu aan voor- en nageslacht een van de belangrijkste drijfveren bij al hun handelen was.

F. C. Bursch

(Uit Sibbe, maandblad van het Nederlandsch Verbond voor Sibbekunde)