Raadsel der Runen

De toerist, reizend door Noordwest-Europa, ziet op zijn tochten vaak opschriften in een - voor hem - doorgaans onbekend alfabet. Soms is het op een enorme steen, dan weer in een museum, een andere maal als versiering geritst in een kerkwand. De "Jellinge Steen" op het Domplein in Utrecht. Een deel van het Universiteitsgebouw op de achtergrond zichtbaar. Deze repliek van het  zich in Jelling (Jutland) bevindende origineel werd in 1936 door met Nederland sympatiserende Denen bij het 300-jarig bestaan van de Utrechtse Universiteit geschonken. De Runentekst in reliëf zegt: "Koning Harald gaf opdracht deze steen te vervaardigen ter nagedachtenis aan zijn vader Gorm en zijn moeder Thyra, die geheel Denemarken en Noorwegen onderwierp en die de Denen tot het christendom bekeerde".

Het zijn runen, de oude schrifttekens van de Noormannen, de Vikingen, de bewoners van Scandinavië, die (ruwweg gezegd) van de vijfde tot de veertiende eeuw deze tekens hebben gebruikt.

Nu moet men dit “Noordwest-Europa” vooral niet te eng zien … want niet alleen dat men in Utrecht op het Domplein zo'n - weliswaar nagemaakte - runensteen kan bewonderen, ook de leeuw die opgesteld staat voor het arsenaal in Venetië, eens geroofd in Griekenland, draagt runentekens!

Het intrigerende bij deze runen tekens is evenwel dat ze in de Germaanse wereld zo vreemd “uit de lucht” komen vallen. Terwijl wij met ontzag de mysterieuze schrifttekens van verre en langvergeten volkeren bezien, schrifttekens die met veel moeite zijn ontcijferd, bestaat er dus een alfabet in onze directe omgeving dat we wel kunnen lezen … maar dat ons toch nog voor veel raadsels plaatst.

De herkomst der runen

Wij hebben allemaal wel eens deze runentekens gezien. Het zijn wonderlijke, hoekige tekens, voornamelijk samengesteld uit rechte strepen en streepjes, die duidelijk de sporen dragen van het harde materiaal - metaal, steen of hout - waarop zij gewoonlijk zijn aangebracht. Rune betekent geheim en de herkomst der runen is ook nog steeds in een geheimzinnig waas gehuld. De vragen die zich voordoen zijn: wáár komen deze tekens vandaan en wáárom zijn zij in het runenalfabet gegroepeerd op een wijze die geen enkele overeenkomst vertoont met van elders bekende alfabetvormen? In de 16de en 17de eeuw meende men dat de runen uit de tijd van voor de zondvloed stamden of dat ze door Magog, de zoon van Jafet, uit Azië naar Zweden waren gebracht; of ook wel dat ze aan het Hebreeuwse alfabet waren ontleend. Eerst in het einde van de vorige eeuw is men het vraagstuk van de herkomst der runen wetenschappelijk gaan bestuderen.

Runen zoals zij in Zweden in de rotsen zijn gegrift

Latijn of Grieks?
Aan het begin van onze eeuw stonden de meningen dat de runen aan het Latijnse alfabet ontleend waren of dat het runenalfabet een Grieks alfabet tot voorbeeld gehad zou hebben, scherp tegenover elkaar. In 1928 werd echter de theorie gepubliceerd dat men de herkomst der runen moest zoeken in een Noordetruskisch alfabet, dat door het Latijnse alfabet sterk beïnvloed was. Deze theorie heeft veel bijval gevonden en lijkt ook zeer aanvaardbaar. Germaanse stammen zouden, toen zij na de slag bij Vercellæ (101 v. chr.) teruggetrokken waren naar Zuid-Duitsland, het runenschrift verder over het Germaanse gebied hebben verbreid. Dit alles berust echter op hypothese.

In de zesde eeuw
Onze eerste feitelijke kennis van het runenschrift dateert van +/- 300 n. chr. De runen blijken dan in gebruik te zijn bij de Oostgermanen in Zuid-Europa en bij de Noordgermanen in de omgeving van de Oostzee. De oudste Westgermaanse runen - Duitse, Friese en Angelsaksische - dateren eerst van +/- 500 en men mag vrijwel met zekerheid aannemen, dat het Westgermaanse runenschrift van Scandinavische oorsprong is. Zo werden de runen in hout geritst

Het wekt enige verwondering dat de runen de lange weg van Zuid-Europa naar Scandinavië in betrekkelijk korte tijd hebben afgelegd. Juist in de oudste tijd, waaruit wij het gebruik van runen kennen, de 3de - 6de eeuw n. chr., blijkt in het noorden een kerngebied te liggen in Zuid-Jutland en op de Deense eilanden. Men heeft de mogelijkheid geopperd dat de Noordgermaanse stam der Herulen een werkzaam aandeel gehad zou hebben in het overbrengen der runen naar het noorden.

De Herulen treden in het midden van de 3de eeuw n. chr. met de Goten op, met wie zij rooftochten ondernemen naar verafgelegen gebieden, o.a. naar Griekenland en Klein-Azië. Zij zouden bij de Goten de runen hebben leren kennen en deze tekens langs de wegen, waarlangs zij de contacten met hun Scandinavisch stamland onderhielden, naar het noorden hebben gebracht.

Aan het einde van de 6de eeuw verdwijnt, met de Herulen, ook het gebruik van runen in de streken waar zij geleefd hebben en waar toen een kerngebied van runencultuur lag. De Herulen zijn waarschijnlijk overwonnen door een andere stam, waarin zij zijn opgegaan. In het Deense gebied waar zij woonden, breekt dan een runenloze periode aan, totdat de runen na +/- 800 weer, en thans uit het noorden, in deze streken worden geïmporteerd.

Twee runenreeksen
In de tijd van de oudste runenvondsten bezat men een runenalfabet van 24 tekens. Op verschillende voorwerpen uit de 5de eeuw is dit oudste runenalfabet van 24 tekens in zijn geheel overgeleverd. Dit oudste runenalfabet wordt naar de eerste zes letters de futhark - de th is de transcriptie van één rune - genoemd en ook wel de oude futhark, dit in tegenstelling tot het latere runenalfabet van 16 tekens.

Het alfabet van de zuil uit Bosnië

We vinden deze futhark o.a. op een stuk kalksteen in een ondergronds graf op Gotland, op twee bracteaten (dunne metalen plaatjes) in Midden-Zweden, op een gesp in Bourgondië en op een zuil in Bosnië. De vierentwintig tekens waren in drie reeksen van acht verdeeld.

Runenschrift kan in verschillende richtingen geschreven worden: van links naar rechts, van rechts naar links of ploegvoorsgewijze, d.w.z. van links naar rechts en de volgende regel van rechts naar links.

Het alfabet van de gesp uit Bourgondië

De alfabetische volgorde der runen is nooit voldoende verklaard.

Volgens een zeer vernuftige verklaring zou de volgorde met de getallenmystiek van de Mythrasdienst samenhangen. Met deze dienst zijn de Germanen als soldaten in het Westromeinse leger ongetwijfeld in aanraking gekomen. Juist van de Herulen is het bekend dat ze als huurlingen in het Romeinse leger zeer gezien waren.

Symboolwaarde
Er bestaat ook een andere verklaring van de volgorde der tekens in het runenalfabet. Men brengt dan de oude (24 tekens) of de jonge (16 tekens) futhark aan op een gemeenschappelijke horizontale middellijn van 12, resp. 8 concentrische cirkels, zó dat op de omtrek van elk der cirkels links en rechts een runenteken komt te liggen, dus resp. m. 1 en 24, 2 en 23, 3 en 22, enz.

 De Futhark als magische tekens op een cirkel geplaatst

Dan gaat men uit van de symboolwaarde der tekens en neemt aan dat de nummers 1 en 24, 2 en 23 enz. tot eenzelfde voorstellingscomplex behoren en dat dáárop de volgorde zou berusten.

De middelste cirkel in beide reeksen zijn de runen uit de noodlotssfeer. De eerste rune (de F) is het symbool van bezit, met veel goede wil ziet men in het teken een gehoornd stuk vee, terwijl de laatste (O) het symbool is van omheind grondbezit.

Het is duidelijk, dat men hier alle vaste grond onder de voeten verliest en zo is nog steeds niet het laatste woord over de volgorde der runen gezegd.

Verandering
Nadat het runenschrift uit het Deense kerngebied zijn weg naar noordelijker streken gevonden heeft en langzamerhand uitsluitend voor inscripties op stenen wordt gebruikt, ondergaat het in West-Noorwegen en Zuid-Zweden een ingrijpende verandering. Omstreeks 800 n. chr. zijn in het noorden in plaats van 24 nog maar 16 tekens in gebruik. Dit gewijzigde alfabet heet de jonge futhark.

De jonge Futhark

Het is nog altijd raadselachtig hoe men er toe gekomen is het aantal tekens van het alfabet tot tweederde van het oorspronkelijke aantal te reduceren. Het klanksysteem dat door dit alfabet moet worden weergegeven, is veel gevarieerder dan dat waarvoor men vroeger 24 tekens ter beschikking had. Men neemt thans algemeen aan dat in de veranderingen een doelbewust streven naar vereenvoudiging valt waar te nemen.

Zo worden stemhebbende en stemloze medeklinkers door hetzelfde teken weergegeven, terwijl men zich wat de klinkers betreft, behelpt met vier tekens: i, u en twee tekens voor a.

 De runen als geheimschrift (de Hälsingerunen)

Het vereenvoudigingsysteem culmineert in de Hälsingerunen uit Noord-Zweden. Hier is de “hoofdstaf”, de verticale streep die de meeste runen gemeen hebben, weggelaten, zodat alleen de zijstreepjes en boogjes over zijn, die een soort “spijkerschrift” vormen, dat moeilijk te ontcijferen is.

Bloeiperiode
In zijn gewijzigde vorm keert de futhark uit Noorwegen en Zweden terug naar Denemarken, waar dus in de periode na de ondergang van de Herulen het runenschrift geheel in onbruik was geraakt. Na een runenloos tijdperk van ongeveer twee eeuwen, begint men +/- 800 n. chr. in Denemarken, naar het voorbeeld der noordelijke stamverwanten, ook runenstenen op te richten. Van 950-1025 beleeft de runencultuur juist in Denemarken een bloeiperiode.

Wanneer het christendom in het noorden vaste voet begint te krijgen, verdwijnt de gewoonte om runenstenen op te richten met het doel de overledene bij het nageslacht te laten voortleven. Toch blijft het gebruik van runen dáár nog lang bewaard. In de 11de eeuw vindt men ze op munten, in de volgende eeuwen op stenen ter herinnering aan het bouwen van een kerk of een brug, op grafzerken kerkklokken, doopvonten enz. Zelfs enkele handschriften uit +/-1300 zijn nog in runenschrift geschreven.

De verbreiding der runen
Wij hebben gezien dat de runen uit het zuiden naar het noorden gekomen zijn en dat zich in Jutland en op de Deense eilanden een kerngebied van runenactiviteit ontwikkelde, vanwaar de kennis en het gebruik van runen zich snel verder noordwaarts uitbreidden. Van hetzelfde centrum uit worden de runen met een cultuurstroom meegevoerd naar het zuiden, naar de streek van Hannover en vandaar weer naar het westen en verder naar het zuiden.

In het Westgermaanse taalgebied vindt de verbreiding der runen echter veel later plaats dan in Scandinavië. De eerste runeninschriften op Westgermaans gebied stammen van +/- 500. Men verdeelt de Westgermaanse runen in Anglofriese en Duitse runen. De eerste komen voor langs de Noordzeekust en in Engeland, de laatstgenoemde groep bestrijkt een uitgestrekt gebied, dat van Westfalen over Hongarije tot aan Bosnië loopt.

In Nederland en Engeland
Uit het noorden van ons land zijn enige runeninscripties bekend, o.a. op een houten zwaard uit de 6de eeuw, gevonden te Arum. In Engeland heeft men veel inscripties gevonden op munten (de oudste van +/- 600, misschien iets ouder), op gebruiksvoorwerpen, op stenen in graven, op wapens en ook op runenstenen. Buiten Scandinavië komen runenstenen alleen in Engeland veelvuldig voor. In tegenstelling tot het Scandinavische runenalfabet heeft het Anglofriese zich later uitgebreid tot 28 en nog later zelfs tot 33 tekens. Van groot belang is een aantal tekens van het runenalfabet in Angelsaksische handschriften, die ook de runennamen meedelen.

Na de Normandische verovering (1066) schijnt het gebruik van runen in Engeland opgehouden te zijn.

In Duitsland
De Duitse runen stammen grotendeels uit de 6de en 7de eeuw. Er zijn tot nog toe slechts weinig inscripties met deze runen gevonden, de meeste op gespen, waarop vaak slechts een eigennaam gegrift is, die de gever of de bezitter aanduidt.

De belangrijkste vondsten uit het Duitse runengebied zijn de inscripties op de gesp van Charnay (Bourgondië) en op de marmeren zuil van Bresa (Bosnië). Op beide is het gehele runenalfabet aangebracht, maar helaas, beide voorwerpen zijn beschadigd, zodat de laatste runen ontbreken.

De Duitse runen schijnen een kort leven te hebben gehad. Na de 7de eeuw komen zij niet meer op inscripties voor. De schaarse vondsten in het uitgebreide gebied der Duitse runen duiden al op geringe belangstelling voor de oude runenkennis. De runen spreken hier niet meer tot de stam over grote gebeurtenissen, maar zij zijn teruggedrongen tot de huiselijke sfeer der gebruiksvoorwerpen en … het billet doux. Zo lezen we op een in een vrouwegraf gevonden gesp: Boso ritste de runen. Jou, Dalina, schonk hij (deze gesp). Van het Oostgermaanse gebied zijn slechts enkele inscripties bewaard uit de 3de en 4de eeuw op speerpunten en op een - later helaas verdwenen - ring. De taalvormen wijken weinig af van de oernoorse inscripties.

Gebruik der runen

Runen en cultus
Het lijkt waarschijnlijk dat de runen oorspronkelijk meer magische tekens dan taaltekens zijn geweest en dat zij eens nauw verbonden waren met de cultus. Het oudste materiaal wijst duidelijk in deze richting.

Er zijn verschillende inscripties die geen woorden vormen. Zo kennen wij bijv. dit inschrift: aaaaaaaa, RRR. Men moet hier aannemen dat het runenteken een symboolwaarde had, die ten goede of ten kwade kon werken. Ook de oudste mededelingsinscripties behoren tot de sfeer van de cultus.

Zo moet de tekst op een ring gutaniowihailag, hoe men die ook interpreteert, het woord wih (heiligdom of wijgeschenk) bevatten.

Op de hoorn van Gallehus zou deze inscriptie gestaan

Ook de inscriptie op de hoorn van Gallehus, een der gouden hoorns die in Jutland in de grond gevonden zijn - helaas later gestolen en daarna spoorloos verdwenen - , zal wel met de cultus samenhangen. De rijkversierde hoorn was vermoedelijk een wijgeschenk. Hlewagast, die zich als maker van de hoorn presenteert: Ik, Hlewagast van Holt (misschien: zoon van Holt) heb de hoorn vervaardigd, zal wel in een of andere relatie tot het heiligdom, waarvoor de hoorn was bestemd, hebben gestaan.

“Odin raapt de runen op …”
Op relatie tussen runen en cultus wijst ook de in de Scandinavische oudheid verbreide opvatting dat de runen van goddelijke oorsprong zijn. Op de steen van Noleby (+/- 400 n. chr.) staat: Ik kleur de van de goden stammende runen.
Nog uitvoeriger worden we hierover ingelicht door de mooie Eddastrofen, waarin verteld wordt hoe de runen aan Odin werden geopenbaard.

“Ik weet dat ik hing aan een aan de wind blootgestelde boom, negen nachten lang, door een speer gewond, geofferd aan Odin, ikzelf aan mijzelf, aan die boom, waarvan niemand weet, uit welke wortels hij is ontsproten. Zij gaven mij geen brood en verkwikten mij niet met drank. Ik boog mij naar de grond, ik raapte de runen op, schreeuwend raapte ik ze op; daarna viel ik omlaag.”

We hebben hier waarschijnlijk niet te doen met invloed van christelijke voorstellingen, maar wel met ook van elders bekende inwijdingsriten. Zo wordt het aanraken van de grond bij vele primitieve volken nog steeds als ontheiligend beschouwd. Bij verschillende stammen mag het opperhoofd nooit de grond aanraken. Het lijkt mij zeer wel mogelijk dat de oorsprong van de koninklijke loper in onze dagen in dit voorstellingscomplex te zoeken zou zijn.

Ook het verdragen van pijn en ontberingen behoort algemeen tot de eisen die aan jongelingen gesteld worden, voordat zij als volwaardige leden in de stam worden opgenomen.

Een speerpunt met runen (de speerpunt van Kowel)

Magische kracht
De traditie van de goddelijke oorsprong der runen en hun gebruik bij de cultus moet dus tot in het verre verleden teruggaan. Men meent wel dat er in de bekende passage in Tacitus’ Germania (c. 10) over het lotsorakel al sprake zou zijn van Germaanse “Begriffsrunen” in dienst van de cultus.

Met het gebruik van de runen in de cultus hangt het geloof aan de magische kracht der runen ten nauwste samen. We weten dat de runen in de Germaanse magie een grote rol speelden en men mag aannemen dat de priester in de oudgermaanse gemeenschappen tevens als runenmeester optrad. De Listerstenen uit Zuid-Zweden vermelden een genealogie van runenmeesters, die tevens koningen waren en in deze functie waarschijnlijk ook als opperste priester fungeerden.

De runensteen van HögbyMagie beoogt het in werking stellen van bovennatuurlijke krachten om de gang van zaken in het aardse leven te beïnvloeden. Magische krachten kunnen de keten van oorzaak en gevolg doorbreken. Dat de runen tot dit doel werden gebruikt is duidelijk. Ik noemde al de inscripties met runentekens die geen woorden vormen. Om deze te kunnen verklaren, moet men de namen van de runen kennen.

Runennamen
Helaas, de runennamen zijn ons eerst laat (9de tot de 14de eeuw) en in bonte verscheidenheid overgeleverd. Zij zijn niet zonder meer te gebruiken als sleutel voor 't verklaren van de oudere magische inscripties. Veel is echter wel te reconstrueren. Het is juist dat een rune het symbool is van het begrip dat de runennaam inhoudt. Zo is, ik vertelde 't reeds, f: fehu (vee, bezit), zeker het symbool van roerend eigendom, en d: odal (erfgrond) het symbool van grondbezit.

Wanneer we in de periode van +/- 400 - 450 op bracteaten het gehele runenalfabet vinden, dan is het zeker niet de bedoeling de drager of draagster van het amulet het runenalfabet te leren, als een heel vroeg soort “leesplankje”.

De bedoeling is ongetwijfeld het voorwerp, door er alle bekende runen op aan te brengen, te laden met de hoogst mogelijke accumulatie van magische krachten. Deze opvatting wordt versterkt door de Kylversteen, een steen die in een ondergronds graf op Gotland is gevonden en waarop het gehele alfabet is aangebracht, zeker met de bedoeling door de samengetrokken kracht der runen eventuele grafschenders te weren of … - iets héél anders! – de dode ervan te weerhouden de levenden lastig te vallen.

Een enkel woord …
Soms komt op voorwerpen uit de oudste periode één enkel woord voor. Maar een woord dat magische kracht heeft, zoals alu, “afweer” of laukaz, “look”, dat uitsluitend op bracteaten voorkomt en waarschijnlijk de gezondheid van de drager of draagster moest beschermen. Soms ook staat op wapens een woord dat waarschijnlijk de naam van het wapen aanduidt.

In het oudste zuidelijke runengebied is een speerpunt gevonden, waarop tilarids staat, vermoedelijk “de op het doel afgaande” en een andere speerpunt, die de naam ranja, “de doorboorder(?)” draagt.

Aan deze naamgeving ligt waarschijnlijk de gedachte te gronde dat het kennen van de naam van mens of ding tevens de macht geeft over die mens of dat ding, en dat tevens het voorwerp door de naam a.h.w. “bezield” wordt en daardoor aan kracht wint.

Nijdstang
Het magisch gebruik van runen blijft bestaan, ook wanneer de hoofdfunctie die van taaltekens is geworden. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de nijdstang, die Egill Skallagrímsson opricht in Noorwegen.

Egill is bij de koningin van Noorwegen in ongenade gevallen. Vervuld van wraakgevoelens jegens de koninklijke familie richt hij een nijdstang op - een stok waaraan een paardekop is bevestigd - onder het uitspreken van een bezweringsformule, waarmee hij de geesten van het land de uitvoering van de wraak opdraagt en hen bedreigt met rusteloos rondzwerven, zolang ze er niet in geslaagd zijn de koning en de koningin uit het land te verdrijven. De stok wordt in een bergspleet vastgezet en de gehele formule wordt in runen op de stok aangebracht.

Bijzondere kracht werd aan een inscriptie verleend door het gebruik van geheimschrift. De Röksteen (Zweden, 9de eeuw) geeft hiervan een sprekend voorbeeld. De feiten worden in gewoon runenschrift meegedeeld, de jonge futhark, … maar het magische gedeelte van de aansporing tot wraak is in geheimschrift geritst. Bracteat waarop runen voorkomen

Er zijn verschillende soorten geheimschrift bekend, o.a. de ijsrunen, korte en lange verticale streepjes, een teken dat anders de letter i (ijsrune genaamd) weergeeft, maar waarmee hier op listige wijze de plaats der verschillende runen van het woord in het alfabet aangeduid wordt; bijv. III , d.w.z. de tweede rune van de derde reeks, dus de b.

Gebruik van runen
De Edda deelt ook een en ander mee over het gebruik van runen. Waarschijnlijk spelen runen een rol bij de toverkunsten, die beschreven worden in de verzen die volgen op de verzen die vertellen hoe Odin de runen vond.

Er wordt daar gesproken over toverspreuken gebruikt in het gevecht, bij brand, ziekte, vijandschap, ruw weer op zee enz. Maar de nauwe aansluiting bij het verhaal van de openbaring der runen aan Odin maakt het waarschijnlijk, dat ook de diepere runenkennis hierbij een rol speelde. Het is niet onmogelijk dat verschillende toverspreuken zelfs in geconcentreerde vorm in runen op een voorwerp werden aangebracht. De Grettissaga vertelt ook hoe men op de boomwortel, die de dood van Grettir zou veroorzaken, runen ritste en er toverspreuken over las.

In 't Eddagedicht Skírnismál eindigt Skírnir, die voor zijn meester Frey de reuzedochter Gerd moet veroveren, met een lange reeks bedreigingen tegen de jongedame en dit is dan de bedreiging haar met runen te zullen betoveren.

Het uitvoerigst in de Edda spreekt Sigrdrífa over het gebruik van runen. Zij noemt bierrunen, overwinningsrunen, geneeskrachtige runen, runen bij baringen, brandingsrunen, procesrunen, verstandsrunen. Ze worden niet alleen aangebracht op reële, maar ook op irreële voorwerpen: zowel op goud, op de amuletten der mensen, als ook in wijn, in mout, en eveneens op het schild, dat zich bevindt voor de glanzende god, op het wiel van de wagen van de reus Hrungnir en op de tong van Bragi, de god der dichtkunst.

Inscripties op stenen

Gedenkstenen
Wanneer, na de volksverhuizing, de maatschappij der Scandinaviërs gestabiliseerd is, wordt het oprichten van runenstenen ter herinnering aan gestorven bloedverwanten - later ook wel ter herinnering aan gesneuvelde kameraden - algemeen gebruikelijk. Het waren lang niet altijd grafstenen. De inscriptie vermeldt zelfs dikwijls dat de overledene in het oosten of westen is gevallen.

De oudste van deze stenen stammen uit Noorwegen en Zuid-Zweden, bijv. de steen van Tune (5de eeuw), door drie dochters van Wodurid voor hun vader opgericht. De steen deelt ook mee dat de naaste mannelijke verwanten het ceremonieel van de begrafenis regelden. Dit was zeker een symbolische handeling, waarbij de erfgenamen in de rechten van de erflater traden en hieraan hadden de dochters waarschijnlijk geen deel.

Een statig monument, 4 m hoog, is de steen van Björketorp (6de eeuw) met een machtige bezwering: De reeks der glansrunen heb ik hier verborgen, krachtrunen. Voortgejaagd, ver van huis, zal diegene ten offer vallen aan een verraderlijke dood, die dit grafmonument schendt. Dezelfde verwensing komt voor op de steen van Stentofta.

Twee typen
In Denemarken zijn de gedenkstenen het rijkst vertegenwoordigd. De oudste stammen uit de 9de eeuw, de meeste uit de periode tussen 950 en 1025. Ze zijn dus allemaal geritst in het jonge runenalfabet. De inscripties zijn meestal volgens een vast schema opgebouwd.

De grote en de kleine Jellinge steen in Jelling (Denemarken)Er zijn twee hoofdtypen: De steen staat na (d.i. ter herinnering aan) N.N. en: N.N. richtte deze steen op ter herinnering aan N.N.

In het laatste geval valt de nadruk dan misschien nog meer op de oprichter dan op de overledene. Dat de oprichter ook de aandacht op zichzelf wilde vestigen blijkt op overtuigende wijze op de grote Jellingesteen (afgietsel in Utrecht), waar koning Harald, de oprichter, de namen van zijn vader Gorm en zijn moeder Thyra, voor wie de steen is opgericht, alleen maar noemt, terwijl hij aan zijn eigen naam toevoegt: HaraId, die Denemarken en geheel Noorwegen aan zich onderwierp en de Denen tot christenen maakte.

Mysterieuze stenen
Er zijn inscripties op stenen, die ons voor onoplosbare raadsels plaatsen. Zij lokken ons in de duistere wereld van magie, waarmee wij het contact verloren hebben; een doolhof waarin wij steeds dieper verdwalen. En toch zijn dit juist de stenen die de runologen in hun ban gevangen houden en hen er telkens weer toe verleiden een hernieuwde poging tot begrijpen te wagen.

Zo is de Röksteen (Zweden, 9de eeuw) door verschillende vooraanstaande runologen geïnterpreteerd. Zij allen komen echter tot zeer verschillende resultaten. De inscriptie deelt mee dat de steen is opgericht door een vader voor zijn gestorven zoon. De rest van de tekst is gedeeltelijk begrijpelijk wat de woordinhoud betreft, maar onbegrijpelijk wat de gedachteninhoud betreft, omdat we geen enkel aanknopingspunt hebben. De Röksteen uit Zweden

Voorts is de interpretatie van een gedeelte uiterst onzeker, omdat de runenmeester geheimschrift heeft gebruikt. Weliswaar is dit met grote scherpzinnigheid door de onderzoekers ontcijferd, maar veel blijft nog duister, mede omdat het niet zeker is in welke volgorde men de tekst moet lezen. Het is mogelijk dat hier een oude vader, die niet meer in staat is zijn door een vijand verslagen zoon te wreken, de hulp van hogere machten inroept om een wreker geboren te doen worden.

Geheim
Een andere geheimzinnige steen is de Eggjumsteen (Noorwegen, waarschijnlijk 9de eeuw). De tekst luidt: “Niet is getroffen door zon en evenmin met ijzer de steen gesneden; geen over bovennatuurlijke krachten beschikkende man mag hem blootleggen, evenmin mannen, die verstrikt zijn in of op dwaalwegen gebracht door toverij.

Die man goot de lijkenzee, schraapte daarmee de dollen van de met spijkers doorboorde boot (of: men roeide uit alle macht op de … enz.).
Wie is hierheen komen varen naar het land der paarden?
De vis, zwemmend uit de stroom der speren, de vogel, krijsend in de regen der speren.

Het begin is duidelijk een magische formule. Dan worden er gebeurtenissen beschreven die duister zijn. Meestal heeft men aan een offerhandeling gedacht. Het lijkt mij echter waarschijnlijker dat er sprake is van een vijandig samentreffen in de fjord, waarbij de man, op wiens graf aan de oever van de fjord de steen is opgericht, omkwam. De laatste regel bevat een naamraadsel. Ook hier blijft veel in duisternis gehuld.

De magische formule aan het begin is uiterst merkwaardig. Er valt uit te concluderen dat de steen in het donker geritst is - dit zou enige onhandigheden en onduidelijkheden in de tekst kunnen verklaren - en dat het de betekenis heeft dat geen ijzeren voorwerp is gebruikt.

Dat bij magische of met de cultus verbonden handelingen het gebruik van ijzer vermeden moet worden, is een alom verbreid geloof. IJzer is een magische stof, een “geleider” van magische krachten. Wie maretakken plukt, ontneemt er de genezende kracht aan wanneer hij de takken met een ijzeren voorwerp lossnijdt.

Runen als geschiedbron
Het gebeurt een enkele maal dat de runen als geschiedbron dienst kunnen doen. Zo hebben verschillende Deense stenen uit de 10de eeuw, die eerst in de 18de en 19de eeuw ontdekt zijn, licht geworpen op gebeurtenissen in Zuid-Jutland in de Vikingentijd. De inscripties bevestigen niet alleen vage verhalen over een tijdelijke heerschappij van Zweedse machthebbers in deze streken, maar zij verstrekken tevens de gegevens om de loop der gebeurtenissen te reconstrueren.

De Kensingtonsteen zoals deze afgebeeld is in het boek van P. Verhoog "De ontdekking van Amerika voor Columbus"Het meest treffende voorbeeld van een runensteen als geschiedbron levert de kleine Jellingesteen. De beide Jellingestenen werden eerst aan het einde van de 16de eeuw in Jelling in Jutland ontdekt. De tekst van de grote steen is al meegedeeld. De inscriptie op de kleine steen luidt: Koning Gorm liet deze grafheuvel opwerpen ter herinnering aan Thyra, zijn vrouw, “danmarkar but” (herstel van Denemarken).

Men neemt aan, dat de steen uit de laatste tijd van de regering van Gorm (935-940) stamt. Volgens de oudste Deense geschiedschrijvers was Thyra een wonderschone en voortreffelijke Deense koningin, die na de dood van Gorm, haar echtgenoot, met haar zoon het rijk verdedigde tegen aanvallen der Saksen uit het zuiden. Zij had langs de zuidgrens in Jutland een verdedigingswal laten aanleggen en werd sindsdien Thyra Danebod genoemd.

De wal, waarvan de resten nog te zien zijn, moet echter van oudere datum zijn. Hoe het zij, toen de traditie van de schone Thyra Danebod reeds lang verankerd was in het nationale bewustzijn van het Deense volk, werd de kleine Jellingesteen ontdekt. Thyra was dus gestorven vóór Gorm. De steen had gesproken. De overlevering bleek onjuist.

De Vikingentijd
Buiten het gebied waar de runen inheems waren, zijn slechts zeer weinig inscripties bekend. Het beroemdste runenmonument buiten Scandinavië is de marmeren leeuw, die thans voor het arsenaal in Venetië staat. Toen in de 11de eeuw op het zijvlak de runen werden aangebracht, prijkte hij echter aan de haven van Athene. In 1687 voerden de Venetiaanse troepen de leeuw als trofee mee naar hun stad. Op zijn omzwervingen is de leeuw helaas zo beschadigd dat de inscriptie grotendeels onleesbaar is.

Aan de mond van de Dnjepr op het eiland Berezanj in de Zwarte Zee heeft men een runensteen gevonden, die meedeelt dat Grane de steen heeft opgericht ter herinnering aan zijn vriend Karl, die daar ver van het vaderland was omgekomen. Naar het gebied van de Dnjepr trokken vele Zweedse Vikingen. De stroomversnellingen van de Dnjepr dragen nog namen, die hun Zweedse oorsprong verraden.

De veelomstreden Kensingtonsteen in Amerika met een inscriptie uit 1362 zou stammen, schijnt een vervalsing te zijn. Ofschoon er ook stemmen opgaan die beweren dat de steen echt is!

Verre tochten
Uit de zo schaarse runenvondsten in streken, die door Scandinavische Vikingen regelmatig en druk bezocht werden, blijkt wel dat de tochten op zichzelf niet als grootse ondernemingen werden beschouwd, waarvan een gedenksteen in het vreemde land moest getuigen, zoals later de vlaggen op de pool. Deze mensen ondernamen hun tochten gedeeltelijk uit zucht naar avontuur, maar voornamelijk toch wel om zich te verrijken en in eigen land een grote staat te kunnen voeren. De herinneringen aan de Vikingentochten moeten we dan ook niet buiten, maar in Scandinavië zoeken.

De talrijke stenen, die in Zweden en Denemarken zijn opgericht ter herinnering aan hen die niet terugkwamen, geven ons een beeld van de uitgestrektheid der tochten. Vele verwanten en kameraden, die in Griekenland, Finland, Rusland, Engeland of Schotland de dood gevonden hebben, worden op deze stenen herdacht. Dikwijls wordt ook alleen maar vermeld dat de overledene in het oosten of in het westen is omgekomen.

Zelden treft ons in de inscripties een gevoelige toon. Toch zijn er enkele merkwaardige bij. Zo getuigt Ragnhild van haar overleden echtgenoot: Weinigen worden nu geboren beter dan hij.

En voor mijn gevoel klinken ook de eerste woorden van de Röksteen sterk in mineur: Ter herinnering aan Varin staan deze runen, maar Vamod de vader kleurde ze na de dood van zijn ten dode gedoemde zoon.

Niet op een steen, maar op een weefkam uit Noorwegen (+/- 1600) lezen we, als Krause's interpretatie juist is, een gepassioneerde liefdesroman: Het meisje had ik lief. Met die rotvrouw (sic!) van Erland wil ik niets te maken hebben. Zijn weduwe zou mij echter wel weer behagen.

Geen fantasie
In dit korte bestek konden slechts enkele facetten van de runologie worden belicht. Voor de runoloog is het een fascinerend arbeidsveld, omdat men gewoonlijk over zo weinig gegevens beschikt, dat men de fantasie niet alleen mag, maar ook móét inschakelen.

Bij het lezen van enkele woorden op een steen kan een hele wereld opengaan, maar zelden zal het beeld dat men dan voor de geest ziet, hetzelfde beeld zijn dat de runenmeester in zijn gedachten zag toen hij de steen ritste. Dit mag men nooit uit het oog verliezen.

De runoloog moet echter niet alléén zijn fantasie laten werken. Hij moet daarnaast de uiterste nauwkeurigheid betrachten om aan de overgeleverde tekst alle gegevens, die het taalmateriaal verschaft, te ontfutselen.

Zo is de runologie een boeiend evenwichtsspel tussen fantasie en nauwgezet registreren en uitwerken van gegevens. Hierbij dreigen vele gevaren. Men moet er zich voor wachten het materiaal geweld aan te doen om het in het beeld, dat ineens kan opdoemen, te laten passen. En vóór alles moet men zich hoeden voor het trekken van conclusies uit een samenvoeging van onzekere gegevens.

Het veld van onderzoek is rijk en het brengt ons in aanraking met talrijke facetten van het leven van verre voorouders: hun cultus en magie, hun familieleven en familiezin, hun zucht naar avontuur en rijkdommen.

Boven alles hun gehechtheid aan eigen bodem, waar zij de herinnering aan hun geslacht willen laten voortleven in het schier onvergankelijke materiaal van stevig in de grond verankerde stenen, opgericht, zoals een Eddastrofe zegt “door verwant voor verwant”.

Prof. P. M. Boer - Den Hoed

Als u meer over runen wilt lezen:
F. Altheim en E. Trautmann, Vom Ursprung der Runen, Frankfurt 1939
Wolfgang Krause, Was man in Runen ritzte, 2. Aufl., Halle 1943
H. Arntz, Handbuch der Runenkunde, 2. Aufl., Halle 1944
Karl Schneider, Die Germanischen Runennamen, Meisenheim am Glan 1956

(Raadsel der Runen, AO-reeks nr. 971, 19 juli 1963)