Het oerbewustzijn
Laat ons beginnen met te poneren dat de interpretatie van de mythologie geen exacte wetenschap is. Er is geen juiste verklaring voor een bepaalde tekst of lied. Het is aan ieder van ons om in de mythologie een basis te vinden waarmee hij zijn leven en zijn natuurlijke omgeving een zekere zin kan geven. Niemand hheft de mogelijkheid om te zeggen dat zijn zienswijze de korrekte is. Wel moet men er van uitgaan dat de Indo-Europese mythologie berust op onze noordelijke natuur en ontstaan is in de diepste ziel van de Ariër. Als men zich bewust wordt van zijn eigen zijn, zijn eigen kracht en vooral zijn eigen natuur dan komt pas het ware heidense gevoel naar boven. Dit gevoel echter moet gekultiveerd worden net zoals Odin en Wäinämöinen op zoek gaan naar de waarheid zo moet de blank Arische mens een zoektocht ondernemen naar de dieptes van zijn ziel en zo zijn oerbewustzijn terug leren ontdekken. Zoals we lezen in de Germaanse mythologie vormt dat oerbewustzijn de basis van alle leven. Het vormt ook de basis van de uiteindelijke ondergang waar niemand aan kan ontsnappen - de dood. Niemand kan zich losmaken van hetgeen waarvan hij deel uitmaakt.
Laten we nu eens nader bekijken wat er in de Germaanse mythologie te vinden is en een parallel trekken met een naburige mythologie namelijk die van de Finnen. In Sturlussons Edda, met name het lied van Volva - de zieneres - lezen we het volgende:
De
tijd was oud,
toen Ymir leefde,
was noch zand noch zee
noch zilte golven;
er was geen aarde
noch open hemel,
enkel gapende afgrond
en gras nergens.
- Völuspá
We
beginnen dus met een oneindig niets, behalve twee werelden: Niflheim
en Muspellheim, het ijs en het vuur. Het is de herinnering aan een
oeroude tijd wanneer alle krachten nog ongescheiden waren, de chaos.
Toch primeren twee primitieve krachten die ons noordelijk land leven
geven. Vuur en ijs zijn voor de Indo-Germaan een zaak van leven
en dood. Zonder het vuur kan men geen ijs smelten tot levensbrengend
water. Uit het gesmolten water van Niflheim en de wegschietende
vonken van Muspellheim ontstaat er Ymir, de oerreus - de oergeest.
Uit zijn reuzenlichaam wordt alles geboren. Ook wordt Buri bevrijd
uit het ijs. Hij is de opgesloten reuzenkracht die bevrijd wordt,
een ongetemde wilde natuur die de mens parten zal spelen - het zinnebeeld
van het kwade. We krijgen dus een strijd tussen het geslacht van
Ymir (Thrudgelmir, Bergelmir) en de reuzen die uit de grond voortkwamen
(Buri, Börr, ...) die zal beslecht worden door de hulp van
de goden (familie van Ymir). Het is een strijd tussen goed en kwade
krachten - een strijd waar geen uitkomst is. (Bergelmir overleeft)
Een parallel vinden we in de Finse mythologie in de figuur van Kalewala,
diegene die zijn naam gaf aan het rijk van Wäinämöinen.
Uit deze oerkracht ontstaan alle reuzen maar ook de goden. En die goden dragen dus reuzenbloed in zich. Een negatieve kracht die zich zal uiten in hun latere leven, het is de kracht waar niemand aan ontsnapt hoezeer hij zelfs probeert uit te stijgen boven dit aardse leven. Het is de zintuigelijke waarneming die steeds herinnert aan het reële leven. Het Estlandse epos, dat nauw verbonden is met de Finse mythe, heeft de titel "Kalevipoëg" en daar lezen we:
Onder
Kalew's grafheuvel
Sluimeren oude, heilige dagen
Kalewa is verzonken. Het rust in de dieptes van onze ziel, voedend op liederen en tradities. Klaar om terug opgewekt te worden door de zoekende mens - de mens die hogerop wil, Nietzsche's Übermensch. Door in kontakt te treden met die krachten leert men de wereld zien als iets dat is en waarvan hij zelf deel uitmaakt.
Deze vorm van oerbewustzijn is dus zeer belangrijk en vormt een solide basis voor de scheppingsmythe. Zonder dit bewustzijn kunnen we niet verder leven. Het is er nu en is er altijd geweest. Het is hetgene waaruit de wereld geschapen is - de goden en de reuzen.
Het lied waar de eerste vers uit komt is de Völuspá - het lied van de zieneres. Hier wordt het verleden, heden en toekomst uitgelegd. Draagt deze zieneres niet in zich het lijden van Odin die steeds probeert de toekomst te achterhalen om het onafwendbare toch af te wenden ? Odin gaat in de Vegtamskviða op zoek naar Volva in de met sneeuw bedekte heuvel. Hij dwingt haar uit de dood op te staan en hem te woord te staan en zodoende de toekomst kenbaar maken. Dit gebeurt ook met Wäinämöinen die naar Wipunen gaat om hem het oeroude uit te leggen. Net als Odin verloor ook Wäinämöinen het kontakt met zijn oerbewustzijn en probeerde het terug op te wekken. De zieneres, afstammend van de reuzen, gaat in een soort trance, misschien vergelijkbaar met de trance die de Germaanse priesters verkregen door het zingen van de magische galders. Door hun geschreeuw en gezang raakten ze in kontakt met hun onderbewuste - het oerbewustzijn en leerden daar verleden, heden en toekomst.
Verder lezen we in de Gylfaginning:
Gangleri vroeg : 'Hoe was de verhouding tussen de azen en reuzen en wie waren er het sterkst ?' Här antwoordde: 'De zonen van Borr doodden de reus Ymir en toen hij neerviel, stroomde er zoveel bloed uit zijn wonden dat ze er alle hrimthursen in konden verdrinken, op een na die met zijn familie wist te ontsnappen. Hem noemden de reuzen Bergelmir. Hij klom met zijn vrouw op de meeltrog en hield zich op die manier drijvend, en van hem stamt het geslacht van de hrimthursen. Zo wordt hier gezegd :
'Oneindig
veel winters
voor de aarde geschapen werd,
werd Bergelmir geboren.
Als eerste weet ik
dat de alwijze reus
op een meeltrog werd gelegd.'
Dit fragment is zeer typerend voor de scheppingsmythe. Het behandelt het thema van de zondvloed. Alle reuzekrachten worden in een klap vernietigd, behalve enkele. Het gaat hier om Bergelmir, zoon van Thrudgelmir, kleinzoon van Aurgelmir - synoniem voor Ymir. De goden bleven wel gespaard. Dit is een zuivering van de ongetemde krachten. De goden creëren een geordende wereld en ongetemde krachten moeten het daartegen afleggen. Een eiland wordt geschapen in de zee waar de goden ongestoord kunnen leven. Een eiland waar de aarde stabiel is, omhooggeheven uit de allesomvattende zee, een platform voor de denkenden.
Parallellen vinden we wederom in de Finse mythe. Ilmatar, dochter van de lucht, daalt neer op de aarde. De jonkvrouw wordt zwanger in de golven van de zee. Na zevenhonderd jaar bevrijdt Wäinämöinen zich uit zijn moeder door zelf de poort van de geboorte te openen. Na een tijd in het water gelegen te hebben, stapt hij naar het boomloze, door de zee omspoelde eiland. Net als in de Germaanse mythe is er sprake van een levensboom, de boom van Jumala.
In de Germaanse mythe wordt hij gepland door Bor en Bestla, twee reuzen en dus deel van het oerbewustzijn.
De levensboom is waarschijnlijk een van de belangrijkste symbolen in de noordelijke mythologie. Het staat symbool voor zovele facetten van het leven en de natuur. Maar vooral is hij voor ons het symbool van ons ras, ons eeuwige, nooit stervende ras. De boom groeit en groeit tot hij met zijn takken in de hemel komt. In de Finse mythe moet hij worden geveld omdat hij te groot wordt en de zon belemmert te schijnen. Is dit niet een weerspiegeling van een rassentwist ? Niettemin hebben we nog een aanwijzing in de Germaanse mythe. De es Yggdrasil is de "stam"-boom van de Germanen en uit de es is de man (Askr) geschapen, uit de olm de vrouw (Embla). Twee bomen voor de twee sexuele geslachten. De germaanse mens en zijn "stam"-boom zijn dezelfde en de Yggdrasil draagt in zich de drie werelden - Asgard, Midgard en Niflheim (Helheim). Dit zijn de drie stadia van het bewustzijn die zich manifesteren in de ziel van de Ariër en alle drie moet hij ze doorlopen. Belangrijk te weten is ook dat de goden bij de bron van Urd, gelegen aan een van de wortels van de Yggdrasil, samenkomen om te beraadslagen. Aan een andere wortel ligt ook Hvergelmir, de bron van het onderbewuste, en ook de Mimir-bron ligt aan een wortel, de bron van de wijsheid. Maar er zijn ook destruktieve krachten aan het werk. Onderaan in het oerbewuste knagen slangen aan de wortels, herten knagen aan de bast en in de top zit een adelaar te ruziën met Nidhöggr, de slang van de onderwereld. Is dit geen beeld dat op elk niveau van bewustzijn een negatieve kracht aan het werk is en uiteindelijk de Yggdrasil zo verlamt dat deze het bijna begeeft ? Dit is het falen van ons huidig denken, de Ragnarökkr. Tijdens die periode wordt de Yggdrasil in brand gestoken door Surt (zwart) die uit Muspellheim, de primaire oerkracht, komt aanrijden. Na deze periode komt de Yggdrasil, bevrijd van alle kwaad, terug tevoorschijn. De spirituele bewustwording van ons volk is dan een feit.
Is dit ook niet Steiners "Trottenmysterie", het land van Hyperboreas, het land Ultima Thule oftewel het verzonken land Atlantis ? Door verscheidene inwijdingsrituelen wordt de mens opgenomen in een hogere klasse van denkenden - de Hyperboreërs, dwz diegene die aan de andere kant van de Boreas, de koude Noordenwind, leven. De koude noordenwind doordringt de mens met koud verstand en aanzag men als de adem van "Boreas". Hem doorbreken, verschalken, overwinnen betekende de terugkeer naar het land van de Hyperboreërs dat noch over land, noch met een schip kon bereikt worden. Hyperboreas is het land van onze voorvaderen, het land van de denkenden. Daarom wordt er zo geheimzinnig over gedaan door er over te spreken in metaforen en onduidelijke referenties. Het is iets dat niet reëel is maar diep verborgen ligt in onze wortels. Het opkomend intellectualisme gaf de doodsteek voor de inwoners van Hyperboreas. Samen met de komst van het christendom kwam de wetenschap sterk opzetten en de mythologie werd zogezegd achterhaald maar de wetenschappers begrepen de ware aard onzer vertelkunst niet en werden zelf koude lichamen die door niks bezield werden. Zo verloor de intellectualistische mens het kontakt met het oerbewuste en werd niks anders dan een leeg omhulsel zonder een enkele zin.
Hebben we hier niet te maken met een weldoordacht beeld van de zinnetoestanden van de Ariër ? Het antwoord hierop is positief. De vaak als barbaren afgeschilderde Indo-Europeërs hadden in de mythologie de sleutel tot verleden, heden en toekomst. Door de komst van het joodse christendom is de Yggdrasil gaan rotten. De geest van het volk werd aangevallen en verzwakt. Maar ooit komt de dag dat we de pest zullen uitroeien en zij aan zij zullen strijden voor de Spirituele Bewustwording van ons Volk.
J.D.C.
Bibliografie
Het Germania Project, Jan De Cooman
De poetische Edda, S. Sturlusson
Gylfaginning, S. Sturlusson
De Finse mythe en geestelijk erfdeel van Finland, Rudolf Meyer
De Kalevala, Elias Lönnrot