Midwinterzonnewende
In het oeroude leven van ons volk speelden de donkere najaarsmaanden een grote rol. November, de maand der nevelen, was vervuld van de herinnering, aan de doden. Men herdacht de gestorvenen uit de familie, uit het volk. Een kort woord gewijd aan de grote bouwers van het verleden mocht niet ontbreken. En dan komt de wintermaand december. Ondanks alle materialistische zielsschending, aan ons volk bedreven, voelen wij Wintermaand nog steeds als iets plechtigs aan.
Wel hebben kachel en gas of elektriciteit het drukkendste van de natuurlijke duisternis weggenomen, toch leeft in ons alleen nog de wil om enkele dagen tot iets feestelijks, iets vrolijks en iets plechtigs te maken.
Het vrolijke is heden vooral op de zesde dag te bespeuren, op Sinterklaas, het gewijde voelt men, vooral op de vijfentwintigste. En het is bovenal opmerkelijk, dat deze feesten echte gezinsfeesten gebleven zijn, waarbij wij buitenstaanders hoogst ongaarne aanwezig zouden zien.
Indien wij teruggaan tot de bloeitijd van ons eigen vóórchristelijke religieuze leven, dan zien wij hoe duizenden jaren geleden deze feesten reeds bestonden.
Of beter: hoe deze maand waarin het Licht sterft en herboren wordt, deze maand van weinig boerenwerk, grotendeels gevuld werd door één groot feestgetij dat van Wodansdag (Sint Nicolaas) tot de zesde dag in het nieuwe jaar, dus tot Driekoningen duurde, de dag die oorspronkelijk aan Frigga, de godin der Vruchtbaarheid, was gewijd.
Zinnebeelden van de jaarloop
Tussen Wodansdag en Frigga's dag waren onze voorouders vervuld van het grootste drama der schepping: de ondergang van licht en warmte, van de levenwekkende zonneschijf in de barre winterdood - het noodlottige korter worden der dagen. En dan, o wonder, na de kortste dag het blijde lengen der dagen, de zegepraal van het licht.
Dit drama speelde zich af, zoals het nu nog steeds zichtbaar is, op het grootste schouwtoneel: de hemelkoepel.
En honderden generaties zagen dit spel opnieuw. Staande op hun akkers of in de staldeuren van hun hoeven, zagen de Germaanse boeren van het verre verleden, hoe de zon als een gouden schijf langs haar hemelbaan rolt, het leven op aarde ten zegen, heilbrengend aan mens, dier en plant.
Zij namen de zon waar, gevestigd in de bakermat van ons volk, in het hoge Noorden, waar de gouden schijf om 6 uur in het Oosten, om 12 uur in het Zuiden, om 18 uur in het Westen en om 24 uur in het Noorden staat.
Zinnebeeldig legden zij dit vast in een cirkel, waarin een kruis was getrokken, waarbij de cirkel de horizon voorstelt.
In het hoge Noorden verschijnt omstreeks winterzonnewende de zon kort in het Zuidpunt aan de horizon, bij zomerzonnewende in het Noordpunt. Dit werd voorgesteld door een vertikaal gedeelde cirkel: het gedeelde jaar, bepaald door winter- en zomerzonnewendepunt. Op onze breedte zijn eveneens zeer sprekende zonnepunten waar te nemen, die onze boerenvoorouders dan ook wel degelijk kenden. Hier liggen n.l. de opgangspunten der zon op de beide zonnewendedagen juist in het Zuidoosten en in het Noordoosten, de ondergangspunten echter in het Zuidwesten en Noordwesten. Deze vier punten verbonden, doen eveneens een kruis in een cirkel ontstaan, maar nu een gekanteld kruis: het maalkruis.
Winter- en zomerzonnewendepunten van beide symbolen verenigd, doen het bekende zonnerad ontstaan, het zesspakige wiel, dat een der belangrijkste motieven uit onze volkskunst vormt en in honderden gedaanten alle mogelijke gebouwen en huisraad siert. Denkt men de cirkel weg, zodat alleen zes spaken overblijven, dan heeft men de oude Hagal-Rune, eveneens een oeroud Germaans symbool, dat nog aan talloze gevels prijkt.
Zonnewende, vuur en midwinterhoorn
Het drama van de zonnedood en de verrijzenis - een levensvraag!
In de loop van het
jaar wordt de zon immers zwakker en zwakker, ouder en valer. De zonnebaan
wordt steeds kleiner - zal de zon in zee verzinken en uitdoven? Zal de
barre weerwolf achter de krachteloze oude zon aanjagen en het licht
verslinden? Wee ons …
Maar neen - de schepping is in een eeuwige kringloop besloten.
Uit het duister verrijst klein en zwak nog, als een kindje, de nieuwe zon. Een gouden kindje, lichtgevend, zegenend het leven. Het kindje moet leven, opdat ons volk leve! Helpt het verwarmen, verheugt u, steekt vuren aan op de heuveltoppen, vuur gewijd aan de overwinning van het licht. Blaast op uw horens, ons leven, het leven van de Sibben is opnieuw opgenomen in de kringloop der natuur!
Zo werd het feest gevierd: de boeren blazen tegen midwinter op hun houten Joelhorens boven hun bronputten. Weedom over de zonnedood en heil voor het licht galmen over de velden.
Heilige nachten
Maar ieder jaar was men opnieuw vervuld van de grootsheid der schepping, beklemd door de duisternis en hoopvol op de verwachte wending.
Geen wonder, dat men met waakzame zinnen de natuur meer helderziende benaderde dan gewoonlijk.
Is dit niet de tijd van de twaalf nachten? De heilige nachten, die met de 21ste dag van december beginnen, waarin, de dieren spreken kunnen en de bijen zingen?
Begint de december niet indrukwekkend met de Wilde Jacht, als de oude Wodan, oorIogs- en doodsgod, de schare der afgestorvenen aanvoert en onstuimig door het bewogen hemelruim jaagt, wrekend het kwaad van het jaar en zegenend het goede? Maar de levende Sibbegenoten zoeken de gemeenschap met de gestorvenen in 't heilige en feestelijke Joelmaal.
Met vliegende mantel en grauwe baard, gezeten op zijn witte Saksenros rijdt hij hoog boven de daken. Zijn krachtige, mythische heldengestalte leeft onder het christendom voort in de rustige kindervriend, die nog steeds op dezelfde datum het kwaad straft en de deugd beloont. Zelfs het paard is gebleven, wit en fier als weleer. Alleen de wijze boodschappers, de raven Hugin en Munin zijn veranderd in komische trawanten: de zwarte Pieten, die de ravenkleur echter behouden hebben.[1]
En de boterletters? Het zijn niet anders dan de smakelijke vormen van de Germaanse Runentekens (symbolen en schrifttekens) die eens op het feest der zonnewende aan ons voorgeslacht waren geschonken.
Eeuwige zinnebeelden
De geboorte van het Licht vierde men vroeger op den 21ste dag van Joelmaand, die van het Christuskind even later, op de 25ste. Maar de oude symboliek is dezelfde gebleven, onverwoestbaar de eeuwen trotserend. Daar is, behalve het Kindje, dat ook nu nog in sommige Germaanse streken het “Gouden Kindje” wordt genoemd, de Levensboom, de Lichtboom, de Kerstboom.
Zowel in voorchristelijke als in christelijke tijd het zinnebeeld van het eeuwige leven, van de onsterfelijkheid. Ja, reeds duizenden jaren vóór Christus hier bekend werd, was het Noordras zich bewust van de persoonlijke sterfelijkheid der volksgenoten, maar tevens wist het volk, dat het voortleefde, herboren werd in zijn nageslacht.
Het symbool hiervan vond men tevens in de natuur: in de boom. De afzonderlijke blaadjes vallen af, maar de zon doet nieuwe ontluiken en de stam doorstaat de nood der getijden en leeft een nieuw zonnejaar, dat de blaadjes niet meer beleven konden.
Zo werd de boom een gelijkenis van het leven, een levensboom. De boom en de geboorte van het jonge levenslicht behoren bijeen en zij werden voorgesteld in de eeuwige groene den, verlicht met vele lichtjes.
Oude heilsgedachten
Het spreekt vanzelf dat bij de overgang van oud naar nieuw het jaar wordt herdacht en men elkander heil wenst, liefst met een heildronk en een maaltijd met bakwerk.
Het spreekt ook vanzelf dat het invoeren van het christendom op veel stuitte, dat onverenigbaar leek met de nieuwe religie.
Wat niet overwonnen kon worden - en volksgebruiken zijn taai - werd omgeduid in christelijke zin.
De goede geesten en heilskrachten van het oorspronkelijke geloof werden door de christenpriesters tot boze geesten en onheilskrachten verklaard. Deze moesten verbannen worden, met lawaai liefst.
Men krijgt dan oudchristelijke gebruiken, zoals het St. Thomasluiden, dat eigenlijk een ban luiden is tegen de Wilde Jacht, men krijgt het schieten op oudejaarsavond en dergelijke dingen[2]. Maar al werd de Wilde Jacht tot een duivelse schare, de oude heilsgedachte leeft nog op het land: als het flink stormt in de twaalf nachten, voorspelt de boer een vruchtbaar jaar! Tegenwoordig zijn wij aan vele veranderingen gewend. Maar overal op de wereld is de nacht van 24 op 25 december gewijd aan de herdenking van de geboorte van Jezus Christus, het “Licht der Wereld”, en over heel de wereld viert de christenheid dit feest.
Heilig feesttij
Niet altijd was op die dag deze herdenking gevierd, maar in 337 stelde paus Julius I de dag vast, om een einde te maken aan de vele verschillende data, die tot dat ogenblik als herdenkingsdag golden. St. Chrysostomos schreef in 390 hierover: “Op dezen dag (25 dec.) werd te Rome de geboorte van Jezus Christus vastgesteld, opdat de Christenen dan ongestoord hun plechtigheden konden volbrengen, terwijl de Heidenen met hun eigen ceremonieën in beslag genomen werden”.
In hoeverre St. Chrysostomos met deze bewering gelijk had willen wij in het midden laten; vast staat, dat inderdaad de dagen na de wintermaanden reeds vóór het christendom tot de heiligste en gewijdste behoorden, die de Heidense wereld kende.
De Indische Ariërs vierden in die dagen de geboorte van Krishna, een menswording van hun god Wishnoe. In Perzië werd in de tijd van de winterzonnestilstand de geboorte van de Zonnegod Mithras herdacht en de Romeinen vierden terzelfder tijd de Brumalia, feesten ter ere van Bacchus. Maar ook in onze Noordelijke streken werden met winterzonnewende godsdienstige plechtigheden verricht.
Bij de Kelten werden omstreeks deze dag op de heuvels vuren ontstoken en aan deze ontstak men weer alle vuren, die men met opzet had laten uitgaan. De vuren op de heuvels werden dan gedoofd, maar na twaalf dagen opnieuw aangestoken en tot zonsopgang brandende gehouden.
De Germanen vierden, zoals wij reeds zagen, hun voornaamste feest eveneens in de tijd van de winterzonnestilstand en noemden dit het Joelfeest.
In Scandinavië wordt het kerstfeest nog het Joelfeest genoemd en met het Engelse woord Yule wordt daar te lande nog wel de Kersttijd aangeduid.
In de Noordelijke landen wordt thans nog met kerstfeest het Joelblok in de open haard verbrand, een herinnering aan de oude winterzonnewendevuren, evenals onze Kerstboom, die met zijn brandende kaarsjes een in vlammen staande boom voorstelt.
Het branden van het Kerstblok was ook hier te lande nog lang in gebruik, zelfs tot diep in de 19de eeuw. Dat het een oud gebruik was bewijst wel een charter van 1264, zijnde een uitspraak van de schepenen van Susteren, waarin bepaald werd, dat tegen kerstfeest ieder vrijheid had dode bomen uit het bos te halen om die in zijn huis te branden. En we behoeven helemaal niet bij de 19de eeuw te blijven stilstaan. Want, het is verbazend hoeveel oorspronkelijke oud-Germaanse symbolen wij ook nu nog om ons heen zien.
Vooral met midwintertijd!
Nemen wij alleen maar eens het bakwerk, de verschillende vormen van allerlei soorten koeken.
Daar zien we allerlei raderen bij: zonneraderen met vier, zes of acht spaken, uitgestanste op de vlakke plaat gebakken koekjes in de vorm van sterren, harten en schijven, speculaas en taaitaai waaronder gestalten als de haan, de dagverkondiger, de Joelever, de ruiter op het zonneros, de jager, de spinster (vrouw Frigga), de levensboom en hoefijzer (de “oerboog” die het heil omsluit en bewaart) en nog veel meer. Als men al deze dingen met begrip aanschouwt, kan het kerstfeest er nooit minder, alleen maar dieper en eerbiedwaardiger, nog meer vervuld van begrip voor eigen volk en de der vaderen geest door worden.
Het spreekt vanzelf, dat het niet op onze weg ligt, om de oude overleveringenschat van ons volk te helpen uitdelgen. Integendeel. Juist de volks voelende mens zal zijn begrip verdiepen en het erfgoed der vaderen in ere houden.
Indien even mogelijk, richt hij in zijn gezin de eeuwig groene boom op, ontsteekt de lichtjes en verhaalt zijn kinderen van het oude, maar altijddurende drama van de zonnedood.
De moeder vindt hiertoe eveneens alle gelegenheid aan de hand van de heerlijke midwintersprookjes Doornroosje en Sneeuwwitje, waarin het ontwakende jonge leven eveneens gewekt wordt door de kus van de prins, de jeugdige Zonneheld. Ofwel zij verhaalt van Roodkapje, het Zonnekind waar de boze Fenriswolf op loert. Wel wordt het grootje (het oude jaar) verslonden, maar Roodkapje ontsnapt. Let op, hoe in deze verhalen het zonnedrama gestalte vond! Ook sprookjes vertellen is een volkse bezigheid, als men de zin maar verstaat …
Maar het mooist is toch, om in een kring van volksgenoten het midwintervuur bij te wonen. Om met goede gedachten te staren in de vlammen van het vuur en een vonk ervan mee te dragen door heel het komende jaar.
Auteur onbekend, vermoedelijk Nico de Haas.
[1] Dit artikel dateert uit 1941, ondertussen kan men al met zekerheid beweren dat de ‘zwarte pieten’ de gekerstende vorm zijn van het Heidense Wilde Heir, die vooral in deze tijd van het jaar langskomen op Midgaard.
[2] Dit artikel dateert uit 1941. Ondertussen weet men dat het lawaai maken op speciale gelegenheden een Heidens gebruik is en niet christelijk. Het maken van lawaai is een nabootsing van het stormgeweld, gepaard gaande met de Wilde Jacht en luidt tevens het einde van een tijdperk en de komst van een nieuw tijdperk in.