Levensboom en Wereldzuil

Yggdrasils es
Moet onheil lijden
Meer dan de mensen weten …
(Edda)

“Ik weet dat ik hing aan de windkoude boom, negen nachten lang, door de speer gewond - aan Wodan gewijd - ikzelf aan mijzelf, aan de wereldboom waarvan niemand weet, uit welke wortels hij groeit ...”, aldus zingt het derde Lied van de Hoge uit de Edda, waarin Wodans zelfofferande wordt verhaald. Een van de merkwaardigste en aangrijpendste gedeelten van de Germaanse mythologie overigens. Want hier lezen wij, hoe de machtige god zelf het hoogste offer brengt, n.l. zichzelf, om de diepste zin des levens te leren doorgronden. Gewond door de speer, hangt hij negen dagen en negen nachten in de koude wind aan de wereldboom, hongerend en dorstend, doch trouw aan eigen wezen, om eindelijk in hoogste nood de Runen te ontdekken, d.w.z. de verborgen zin in het zijnde. Hij valt dan van de boom af en brengt de mensen als geschenk de door zijn offer verkregen levenswijsheid: de zinnebeelden van de Germaanse wereldbeschouwing.

In het betreffende fragment van het beroemde Edda-lied worden de Runentekens aldus als zinnebeelden van het leven aangeduid; we leren Wodan kennen als een god, die zelf nog zoekende is naar de diepste geheimen der schepping, maar bovendien staan wij hier tegenover een ander machtig symbool van de Germaanse wereld: de Wereldes Yggdrasil.

De oude liederen ontwerpen een ontzagwekkend beeld van deze mythische boom; een beeld dat haast al te overdadig met allerlei bijwerk van wonderlijke dieren is aangevuld, zoals ook de hele beeldende en sierende kunst van de Vikingtijd onrustig en barok door ornamentele buitensporigheden is.

Het woord Yggdrasil betekent Ros van Ygg, Paard van de Schrikwekkende, met wie wel volgens bovenbedoelde Edda-strofen Wodan is gemeend; in de beeldspraak van de Germaanse dichtkunst.

De Yggdrasil is als het ware de spil van het heelal. De boom reikt met zijn kruin in de wolken en zijn drie reusachtige wortels gaan naar de verschillende werelden: naar die der mensen en goden, die der reuzen en die der doden.

De Wereldes
Onder de wortels ontspringt een bron, waarbij de Norne Urd woont, die de wetenschap bezit omtrent het lot der levenden. Hier staat ook Wodans stoel, waar hij door middel van de runenstaven recht op heeft.

In het bronwater leven twee zwanen, de heilige zonnevogels.

Dit leven gedijt onder de wortel, die naar Midgard loopt.

Ook onder de wortel, die naar het rijk der Reuzen loopt, ontspringt een bron. Een teug van dit water brengt groter wijsheid. Om een slok ervan machtig te worden offert Wodan zelfs een zijner ogen!

De derde wortel, die omlaag boort tot het Nevelheim der gestorvenen, komt uit bij Hwergelmir, de razende ketel, waar Nidhog, de draak, huist, die met nog zes andere ondieren aan de wortels van de wereldboom knaagt.

Bronnen en ketel worden in de volkskunst doorgaans “verkort” afgebeeld als een bloempot. Het motief van de Wereldes wordt dientengevolge als “kruudpot” aangeduid.

De Edda noemt ook nog de naam Lärad voor de wereldboom. Hieraan vreet de geit Heidrun, die voor de mededrank der goden zorgt. Ook het hert Eikdoorn knaagt aan de onderste takken en van het hertengewei druipt water in de bron Hwergelmir, de razende ketel, waaruit alle stromen ter wereld tevoorschijn bruisen, zoals het Lied van Grimnir verhaalt.

Tenslotte wordt nog de naam Mimameid genoemd voor de wereldboom.

Zijn brede wortels omspannen de wereld, vuur noch staal kunnen hem vellen, zodat hij steeds gave vruchten draagt. Een goudglanzende haan staat op zijn kruin (zie onze “Palmpasen).

Een diepzinnig beeld
De lezer ziet, welk een fantastisch beeld hier is ontstaan. Het is in deze vorm zeker van jongere datum. Het is dichterlijke verbeelding en moet niet met religie worden verwisseld. Het zijn late en bonte mythologische verdichtselen. En steeds meer wezens duiken er bij nader toezien tussen de takken op. Hoog in de top huist de alwetende adelaar, die een havik tussen de ogen draagt. Tussen hem en de draak Nidhog rent de vlugge eekhoorn Ratatosk op en neer, Knaagtand, die tweedracht en vijandschap zaait tussen de beide dieren. Vier herten knagen ook bij de Yggdrasil de onderste loten af. Een bonte schildering dus, die wel geheel bij de geest van die tijd past. Maar als wij dit vernuftige bijwerk weglaten, houden wij het grootse en diepzinnige symbool van het Noorden over: de gelijkenis van de Levensboom. Daar steekt wel religie in!

Wel is het woord “Levensboom” een woord uit de vaktaal der volkskundigen en wordt in de volkstaal niet aangetroffen, maar het zinnebeeld zelf treedt in zovele niet mis te duiden vormen door alle tijden heen op, zodat wij - mede in verband met de zeden en gebruiken der Germaanse stammen - zeker van het zinnebeeld in die betekenis mogen spreken.

Door de loop der eeuwen
Ja, we hebben hier zelfs met een der oudste zinnebeelden ter wereld te maken. Want kunnen wij voor de meeste tekens niet verder dan de Jongsteentijd teruggaan, de boomsymboliek treffen wij reeds aan in de Middensteentijd, voornamelijk in de Indo-Germaanse gebieden Sleeswijk-Holstein en Denemarken. Wij geven hiervan een voorbeeld op een benen bijl.

Na de Steentijd leggen de rotstekeningen uit de Bronstijd een sprekende getuigenis af van de betekenis van dit symbool. Wij zien heilige bomen op zonneschepen, bomen in verband gebracht met zonne- en jaarlooptekens enz.

In de vijfde eeuw treffen we op een gouden helm de zinnebeeldenboom, zonnekruis en ruit (aarde) aan.

In de Romaanse bouwkunst handhaaft de boomsymboliek zich eveneens in ornament en beeldwerk, om tenslotte in de Gotiek, die geweldige opbloei van de Germaanse geest, de schoonste ontplooiing te vinden. Dan wordt het hele kerkgebouw als het ware een woud in steen, de levensbomen staan als stenen traceringen in de vensters en de zonneraden vullen lichtopeningen en balustrades.

De volkskunst
Na de Gotiek gaan de tijdloze zinnebeelden over in de volkskunst der boeren. Geen stof of de levensboom is er op aangebracht. Huisraad, hoeven en drachtstukken zijn ermee versierd. Men treft het symbool geborduurd, geschilderd en uitgesneden aan, ja zelfs in metselwerk en in zandfiguren, kunstig in het roet boven het houtvuur aangebracht.

Dit behoeft ons eigenlijk niet te verbazen. Is er voor de natuurverbonden boer een sprekender gelijkenis voor het mensenleven dan juist de boom? Ziet hij niet ieder jaar weer, hoe het weerloze, tere plantje ontkiemt, hoe de jonge spruit opgroeit tot een sterke boom, hoe deze boom tenslotte sterft en ondergaat?

Maar niet alleen is de boom een beeld van het mensenleven, niet minder sprekend is de gelijkenis met het leven der sibbe. Nog heden spreken wij dan ook van stamboom, van een nieuwe loot aan de oude stam, van generaties, die als bladeren afvallen en van de takken van een geslacht. Juist zoals we spreken van een kerel als een boom en van iemand die uit het juiste hout gesneden is. Maar van een ander zeggen wij: de appel valt niet ver van de boom[1] - en dat is minder mooi!

De boom in de eredienst
Zo heeft van oudsher ons voorgeslacht in de boom iets méér gezien dan een vracht brandhout. Bijzonder fraaie bomen werden als vanzelf het middelpunt van de eredienst: Adam van Bremen beschrijft nog een offerfeest onder een heilige boom met bron te Upssala in het jaar 1070.

In 1184 vinden wij het Joelblok vermeld, de brandende boom van Midwinterzonnewende, waarvan de Edda zegt: “de taxis is het groenste geboomte van de winter, het pleegt als het brandt te zengen”.

De Geldersche Volksalmanak van 1835 vermeldt eveneens een brandende boom, n.l. de Meiboom, getooid met brandende kaarsen.

Het hing ook van de streek af, welke boomsoort bij voorkeur tot zinnebeeld werd verheven: hier verkoos men de linde, daar de berk en elders weer de eik.

Onder de geweldige kruin speelden de kinderen in veilige beschutting, maar ook kwamen daar de mannen bijeen, op de dingplaats, om recht te spreken en gemeenschappelijke besluiten te nemen.

Ook het altaar stond in de voorchristelijke tijd veelal onder de bescherming van een heilige boom. Op vele plaatsen is de dingplaats nog te herkennen aan een zware stenen omheining of aan een stenen richtstoel.

Zinnebeeld van jong leven
De boomsymboliek spreekt ook sterk bij de voorjaarsfeesten. Zoals de altijd groene boom een zinnebeeld is van de eeuwigheid van het leven, zo is de Meiboom een symbool van het jonge ontluikende leven na de winterdood. De gebruiken wijzen erop, dat oorspronkelijk iedere man een Meiboompje op zijn erf plantte bij het begin van het voorjaar als vruchtbaarheidssymbool.

Later werd dit één boom voor het hele dorp en tenslotte bleef slechts de zinnebeeldige betekenis over in de Meiboom in de vorm van een met groen en linten versierden mast. Al naar de streek was men gewoon de Meiboom op te richten op 1 mei, op Pinkster of op 21 juni.

Boomsymboliek leeft ook in de Palmpaas, die niets anders is dan de boom in staakvorm, versierd met rad- en vogelvormige zonnesymbolen. Klein en bescheiden steekt er nog wat boomsymboliek in de ruiker, die de bruidegom de bruid geeft: ook dit was oorspronkelijk een levensboompje als zinnebeeld voor het verwachte jonge leven, n.l. de “levensroede”, die wij ook in de gard van “Zwarte Piet” verborgen weten.

Lichtboom en wereldzuil
Verreweg de meeste betekenis heeft op het ogenblik de boomsymboliek in de gedaante van de Kerstboom. In de tijd van de winterse zonnewende straalt de immergroene Levensboom in de luister van het kaarslicht: een niet te miskennen zinnebeeld van de overwinning van het Licht. Dat het hier om het voortleven van een oorspronkelijke Noordse eredienst gaat, blijkt wel het beste hieruit, dat het gebruik door het Vaticaan voor Zuid-Europa wordt afgekeurd.

In dit verband zij ook nog een zeer aan de boomverering verwant symbool genoemd, n.l. de “Irminsul” der Saksers, die in 772 door Karel de Frank werd vernietigd en die in een kroniek uit de 9de eeuw als “universalis columna” wordt betiteld. Het betreft hier een oeroud Indo-Germaans zinnebeeld: de wereldzuil, de stut des hemels of de spil van het heelal, welk zinnebeeld in de latere Germaanse tijd tot het begrip van de Wereldboom is verdiept en uitgegroeid en dan de gedaante van iep, eik, berk of linde aanneemt.

Irmin betekent “groot” in de oorspronkelijke betekenis van “verheven” en de Irminsul was daarbij tevens zinnebeeld van de opperste Arische god, de Hemelgod. In veel latere perioden staat dan ook in runenreeksen naast de naam van de hemelgod Tyr nog steeds de naam van de berk, de voorjaarsboom bij uitnemendheid, zoals de eik veelal in verband met Thor (Donar) wordt genoemd.

Juist zoals de Irminsul door Karel werd vernietigd en Donar's eik door Bonifacius werd omgehouwen, gaat in de Germaanse mythe, bij de schildering van de Ragnarok, de godenschemering, de Yggdrasil in vlammen op. Het Noodlot is onafwendbaar, de goede goden gaan onder met de kwade en zelfs voor Wodan blijft het diepste mysterie een geheim.

Maar ondenkbaar ver achter Licht en Tijd leidt de grote ordenende macht de werelden en een nieuwe aarde verrijst, waarin de god van het Licht, de gerechte Balder zal heersen, verzoend met zijn vroegere belagers.

Zo verhaalt ons de schone Germaanse mythe, een dichterlijk beeld, diepzinnig en manlijk.

Het beeld van den boom
Volstaan wij met deze korte beschouwing over de boom en zijn betekenis voor onze volksziel. Wij zagen hoe er een waarlijk mystieke band was tussen zon en boom, boom en bron, boom en runen en boom en paard, een verbondenheid die steeds weer tot nieuwe onderzoekingen uitnodigt. Maar tevens komen wij tot de erkenning, dat de boom nog niets aan zinnebeeldige kracht heeft ingeboet, dat Meiboom en Kerstboom ons nog steeds iets te zeggen hebben. Spreekt de één meer van de triomf van de arbeid, de ander meer van de overwinning van het Licht op de duisternis, daarnaast biedt de boom in het algemeen nog steeds een onovertroffen schone gelijkenis voor het leven van de mens, sibbe en stam. Bovenal is de boom echter een groot en aangrijpend zinnebeeld van datgene wat van binnen uit onweerstaanbaar naar boven, naar het Licht dringt …

Nico de Haas


[1] In de oorspronkelijke tekst staat “de appel valt niet ver van de stam”.