Kruisen en Cruyskens

Kerstfeest, Midwinterfeest, Lichtfeest

We schrijven 1943 en weer is het kerstfeest, het hoogtijfeest van het jaar, het gekerstend “Jul”- of “Joel”-feest bij de Germanen, voor welk groot Midwinterfeest de Christenheid het kerstfeest in de plaats stelde. Sommigen menen, dat dit “Jul” of “Joel” ons “wiel” of “rad” beduidt, het laatste naar de vorm van de zon, of anders ontleend aan de zonnewagen. Hoe dit zij, Jul was een natuur- of zonnefeest en stond in het symbool van het zonnerad, waarvan o.a. onze kerstkrans een overblijfsel is. Dat zonnerad-symbool is o.m. tevens terug te vinden in de wapenkunde. Een bijzonder frappant voorbeeld daarvan is het merkwaardige rad-wapen van Wageningen.

Het licht, de zon, de levensbron van al het zijn, heeft de overwinning behaald over de winterse duisternis. De dagen beginnen weer te lengen. Nieuw leven is op komst, straks een ontwaken van de natuur in alle vruchtbaarheid. En dit opnieuw ontwaken van het nieuwe leven moest gevierd, uitbundig gevierd worden, waartoe als middelpunt van de feestviering diende het symbool van het leven, de altijd groene boom, de spar. Zij vertolkte het zinnebeeld van de oeroude levensboom bij onze Germaanse voorvaderen en aangezien dit “Levensboomfeest” van Midwinter een hóógtijfeest was van onze voorouders en dit nog is, diep geworteld in de volksgeest, kon het niet anders of dit feest van de wedergeboorte-van-het-nieuwe-licht werd gekerstend, verchristelijkt of gechristianiseerd, d.w.z. aangepast, toen in die tijd de nieuwe godsdienst, het christendom, zijn intrede deed.

Kon het mooier?

Het symbool van de levensboom werd tot paradijsboom.

Welnu, het symbool van de levensboom, later paradijsboom, wordt tot op heden nog veelvuldig in onze familiewapens aangetroffen en wel in verschillende vormen.

Het symbool van het nieuwe licht, de levensbron van al het zijn, werd de persoon van Christus.

De geboorte van Christus werd ingelast als het grootste feest van het jaar, en zo ging allengs de benaming van Midwinter over in die van Kerstmis, doch wat stand hield uit die voorchristelijke periode waren de verschillende symbolen, met aan de spits onze Lichtboom, de Levens- of Paradijsboom, de Kerstboom, welke dus uiteindelijk wortelt in de oud-Germaanse vóórtijd.

Naast boom en rad treedt mede de ster, de zgn. zesster, 6-puntige ster of hagal-rune, een onheil afwerend symbool als heilsrune op. Het is een van oudsher onheil afwerend teken, of wel een als versieringsmotief ontelbare malen voorkomend heilsteken, m.a.w. gelukaanbrengend volgens oud- Germaanse begrippen. Alweer is het de wapenkunde, waarbij ook deze 6-puntige ster, in wezen de hagal-rune, ontelbare malen optreedt en waarvan men nu in sommige gevallen de oorspronkelijke betekenis kan achterhalen. Naast nog meer andere zinnebeelden, vnl. optredende in de koek- en gebakvormen, alsmede in de kerstboomversiering, waarvan de meeste tevens in ­de heraldiek voorkomen, wordt het kruis aangetroffen als het symbool van het geloof.

Er bestaan enige honderden soorten van kruisen! De meeste daarvan worden ook weer in de wapenkunde aangetroffen.

Wanneer men nu meent, dat het kruissymbool een specifiek christelijk zinnebeeld is, dan dient dit ontkennend te worden beantwoord. Het symbool van het christelijk “schandhout” is in wezen veel ouder en betekende oorspronkelijk volgens sommige onderzoekers: “stille hoogheid Gods”. Ja, oorspronkelijk heeft de Christelijke Kerk zich sterk gekant tegen het voeren van dat “heidense” kruis. De oudste christelijke symbolen treffen wij aan op de grafstenen en de Catacomben van Rome. Dit zijn eerst het anker, daarna het eenvoudige + teken en het hakenkruis. Eerst veel later komt, ondanks alle verzet, van kerkelijke overheden, toch het gewijzigde kruissymbool met de hoger geplaatste dwarsarm in gebruik. In verband hiermee is het interessant, hoe de Kerkvader Minutius Felix tegen dit onchristelijke symbool ijverde. Hij zegt (Octavius XXIX: 6) tot de Christenheid: “Wij vereren geen kruisen, noch wensen wij deze symbolen! Gij, die goden, uit hout gesneden, voor heilig houdt, bidt wellicht tot houten kruisen, welke gij als een deel dier goden beschouwt. Ook de veldtekenen, de standaarden en vaandels, zijn zij soms iets anders dan vergulde en versierde kruisen?”

Ondanks alles is dit heidense teken het voornaamste symbool van de Christenheid geworden. De Kerk stond machteloos tegenover het taai vasthouden aan deze sedert onheugelijke tijden van vader op zoon overgaande overlevering, zodat zij tenslotte dit symbool heeft overgenomen, als zou het de afbeelding zijn van het kruis, waaraan Christus gestorven was, dat echter in werkelijkheid T-vormig was!

In de oudste kruisen in deze landen was dan ook het oudste zinnebeeld van de godheid, n.l. het zonnewiel (jul of juul) verwerkt, zoals ons een kruissteen te Kells in Ierland doet zien. Op die manier kon aldus het christendom ingang vinden.

Op één bepaald kruis wil ik hier in het 'bijzonder nog even de aandacht vestigen. Ik doel hier op het zgn. maal-, schuin- of St.-Andrieskruis, veelvuldig voorkomende in wapens. Men wil dit maalkruis wel in verband brengen met een oud gerechtsteken uit de tijd ver vóór het wapenwezen, later overgegaan op het “recht” van het malen voor en door de heer van het rechtsgebied, de heerlijkheid, d.i. het oude Germaanse “maalschap”. Een maalschap is in een marke met een markegerecht, een oud-Germaanse “maal”. Hier kan heel wat over aangehaald worden, doch dit zou ons voor het ogenblik te ver voeren.

Zo als men weet, staat de benaming St.-Andrieskruis in verband met de apostel van die naam, die gekruisigd zou zijn geworden aan een kruis van bijzondere vorm (schuingeplaatste balken), dat sindsdien de naam van Andreaskruis is blijven dragen.

Het Bourgondische kruis is soortgelijk, alleen bestaan hier de balken uit knoestige stokken, lees doorntakken, in verband met de lijdensgeschiedenis van Christus. De man op de hierbij gereproduceerde oude gravure gaat tot dit lichtende, gekroonde doornenkruis, Jezus indachtig. Bezien we deze merkwaardige oude prent Dit plaatje uit "Den spieghel van Philagie" vertoont op de bovenhelft een man die één kruis ontloopt en er twee ontmoet; beneden ziet men vrouwen die haar kruis proberen te verlichten.nader, dan valt het ons op, dat op het bovenste gedeelte, waarop een man zijn kruis tracht te ontlopen en er twee andere voor in de plaats ontmoet, deze symbolen van het geloof zijn afgebeeld als de zgn. man-rune! Het hoofd opgeheven, de armen zijwaarts gestrekt, schuin omhoog. Volgens sommige onderzoekers zou deze stand de oorspronkelijke pose van het bidden zijn, vertolkende het teken voor “Gods sprekende hoogheid”. Ook komt de stand met gebogen hoofd voor, waarbij de figuur van het zgn. Tau-kruis ontstaat met de betekenis van “volkomen overgave tot de Godheid”, in eerbiedig zwijgen vol deemoed en inkeer, in welke houding de opkomst van de zon werd begroet. Voor deze lichtcultus van onze Germaanse voorvaderen was de zon, en zulks is alleszins begrijpelijk, het middelpunt. De zon, de leven-verwekster van plant en dier, de licht- en warmtebron, de zon, die de groeikracht bevordert, vruchtbaarheid schenkt, was het wonder, dat die zon zo'n grote plaats innam in het leven van ons Germanen?

Oorspronkelijk was dan: ook “Weihnachten” - ­gewijde nachten - twaalf in getal - gewijd aan Wodan, de hemelgod en schenker van alle goede gaven, waar dan ook de cadeautjes vandaan kwamen, later optredende in de gestalte van het Kerstmannetje, bij onze Oosterburen Sancta Claus genoemd. De directe voorganger van de kerstman was dus de Germaanse oppergod Wodan, de god van de vruchtbaarheid. Onze St.-Nicolaas staat daarmede in verband. Zowel het Bourgondische kruis als het Tau-kruis worden eveneens in de heraldiek aangetroffen, zelfs de doornenkroon. De wapenkunde is dan ook een conglomeraat van Christelijke en voorchristelijke symbolen, al of niet gekerstend. Dit zou met talrijke voorbeelden nader zijn aan te halen en te bevestigen. Het ligt in het voornemen hier nog nader op terug te komen bij een iets dieper doordringen in de wapensymboliek bij het geven van een nadere verklaring van de folkloristische heraldiek, aanschouwelijk gemaakt door talrijke wapenvoorbeelden.

Besluiten wij thans deze heraldische bijdrage met een citaat en wel de aardige verhandeling over de beproeving, het “Cruysken”, uit de lezenswaardige arbeid van Poirters: “Den Spieghel van Philagie”:

“Wat is een Cruysken? Een Cruysken is een recht houtjen en een dweirs houtjen, die maeken een Cruysken te saemen. Ymandt is ryck, dat is een recht houtjen, maer hij en heeft niet een ure gesontheydt, dat is een dweirs houtjen, saemen een Cruysken. Ymandt is ghesondt als eenen visch, dat is een recht houtjen, maer hij en kan van het een broodt aen het ander niet gheraecken, dat is een dweirs houtjen, item een Cruysken. Ymandt is wel ghetrouwt, dat is een recht houtjen, maer en krijght gheen kinderen, dat is een dweirs houtjen, item een Cruysken. Ymandt is begaeft van Godt met schoonheydt, dat is een recht houtjen, maer sij wordt gheschonden door de poxkens, dat is een dweirs houtjen, item een Cruysken. Ymandt sit in een goede huyshoudinghe, den winckel vol neringhe, heeft eenen beleefde man en soete kinderen, dat is een recht houtjen, den Vader komt onversiens te sterven, dat is een dweirs houtjen, item een Cruysken. Ymandt heeft Sonen van kloeck verstandt, ervaeren in taelen, dat is een recht houtjen, maer sij lopen in 't wilt, dat is een dweirs houtjen, item een Cruysken, Ymandt heeft een Vrouwe ghelijck eenen Engel, dat is een recht houtjen, maer het is een kieckenhooft en een lanterne sonder licht, dat is een dweirs houtjen, item een Cruysken ….”

T. J. Van Sallandt

(Uit Sibbe, maandblad van het Nederlandsch Verbond voor Sibbekunde)