Joel-tijd

Gelijk een schaar van Witte Wieven
Dwarrelt Holda’s wit zelfzeker neder

Als zespakkige raderen naar believen

Eilaes! Hij, die beantwoordt, de schreeuw
Die ziet niet weder, ons land en haar leeuw!

Zo sprak, lam van angst, de christenman

Heil! Fier schudden wij onze bedden op

Een maaltijd voor de doden in vol’ galop!
Zo sprak, vol van trots, de Heiden dan

Acht hoeven, die de lucht doorklieven

Krachtig joelend keren zij weder

Vorsten, krijgers, helden, cultische dieven

Heil’ge dagen, dertien rijk

Geven allen een klare kijk

D’ almachtige natuur, die bedaart!

Tot op’t laatst rijdt geen rad

Tot de cirkel weer vlam heeft gevat
De kringloop, die zich openbaart!

(Irminiaz)