Het Zonnerad

Het kan ieder onzer gebeuren, dat hij op een goeden dag zich eensklaps van iets bewust wordt, waar hij zijn leven lang langs geloopen is, zonder het op te merken. De verrassende ontdekking behoeft volstrekt niet van diepzinnigen aard te zijn, integendeel, meestal is het iets zóó doodgewoons, zoo alledaags. dat men er eigenlijk nooit aandacht aan had geschonken. Men was zich altijd vaag van de aanwezigheid bewust geweest, maar had het eenvoudig nooit bewust bekeken.

Hoe velen zal het b.v. niet gebeurd zijn, dat zij op hun dagelijkschen weg naar hun werk ineens een winkel ontdekten, dien zij nooit eerder hadden opgemerkt.

Deze ervaring leert ons, dat er in het beeld, dat ons bewustzijn zich van de wereld heeft gevormd, tal van onderdeelen zijn die daarin voor ons gevoel thuisbehooren. Wij hebben hun aanwezigheid in onze omgeving altijd geweten en ze als vanzelf sprekend aanvaard zonder ons van hun juiste beteekenis rekenschap te geven.

Wellicht nergens treedt dit verschijnsel sterker op dan ten opzichte der symboliek, die ons overal omringt. Dit is verklaarbaar. Want het eigenaardige van symboliek is juist, dat zij door bepaalde beelden en vormen dingen uitdrukt, diezóó fundamenteel zijn, zulke grondwaarheden in ons bestaan vormen, dat dit wel de laatste dingen zijn waarover wij gaan nadenken. Hier raakt de gedachte immers aan de grondslagen van ons bestaan op deze wereld, en wij hebben meestal zoozeer de handen vol met de handhaving van ons bestaan, dat wij er niet licht toe komen daarover nog te gaan nadenken ook. En bovendien: de taak der symboliek is juist, door een beeld ons bepaalde grondwaarheden voor oogen te houden, die ons bestaan beheerschen. Hoe beter de ons omringende zinnebeelden die taak vervullen, hoe minder aanleiding er is om na te gaan denken over deze grondslagen. Wij ervaren dan immers voortdurend uit de zinnebeelden, wat wij weten moeten en nimmer vergeten mogen.

Nu zal menigeen geneigd zijn te vragen: is er dan een zoo uitgebreide symboliek om ons heen?

Wie deze vraag stelt, bevestigt daarmede tegelijk, dat de zoo even gemaakte opmerking over de eigenaardige taak der symboliek juist is. Want in hem zelf leeft deze symboliek blijkbaar zoo sterk, voor hem is zij zoo van zelf sprekend, dat hij althans ze nooit heeft opgemerkt!

Er is inderdaad een zeer uitgebreide symboliek om ons heen, welker beteekenis ons instinctief duidelijk is en die door de taaiheid, waarmede zij zich niet slechts sinds eeuwen maar sedert duizenden van jaren wist te handhaven bewijst, dat zij diep in ons volk geworteld is.

Deze symboliek beeldt de natuurlijke levenshouding van ons volk uit, zooals deze zich door al die duizenden van jaren heeft weten te handhaven. Een enkel dezer zinnebeelden willen wij aan een nader onderzoek onderwerpen.

Wij kiezen daarvoor het zinnebeeld

Deze figuur vertoont twee onderdeelen: en

Hierin is de figuur de belangrijkste, zooals blijken zal, omdat deze zoowel zelfstandig als in verbinding met de voorkomt en de wezenlijke beteekenis aan geeft.

Het zinnebeeld is dermate algemeen, dat er wel geen dorp of stad in Nederland is, of men kan het ergens aantreffen. Den Amsterdammer verwijzen wij naar de Nieuwe Kerk op den Dam (boven het aangebouwde portaal in het raam), de Utrechtenaar kan het vinden in de Domkerk (boven in het nieuw gerestaureerde raam van het dwarsschip, fig.1) en de overige Nederlanders kunnen het vermoedelijk ook wel in de R.K. Kerk hunner woonplaats aantreffen. Want de R.K. Kerken, die bijzonder rijk met zinnebeelden versierd zijn, vertoonen bijna alle het symbool of alleen , eventueel in den vorm van een zespuntige ster of een rozet met zes bladeren.

Fig. 1: Dwarsschip van den Dom - Utrecht.

Het zijn niet enkel de nieuwere kerken, die dit zinnebeeld vertoonen. Reeds de oudste Gothische kathedralen bevatten het veelvuldig, hetgeen wel bewijst dat het reeds zevenhonderd jaar minstens in het volk leeft. Ook het veelvuldig voorkomen van de zespuntige ster in wapens duidt er reeds op, dat er met deze figuur iets bizonders aan de hand is. Opmerking verdient, dat in de romaansche landen de ster in wapens ook veel voorkomt, maar dan steeds als vijfpuntige ster; de zespuntige ster is karakteristiek voor de heraldiek der germaansche landen.

Dit feit wijst reeds in een bepaalde richting. Uit het veelvuldig voorkomen van de figuur of aan Gothische kerken zou men namelijk de gevolgtrekking kunnen maken, dat deze figuur een bepaalde beteekenis heeft voor de R.K. geloofsleer en de christelijke symboliek. Het even veelvuldig voorkomen van de zespuntige ster buiten kerkelijke, in zuiver wereldsche sfeer duidt er op, dat dit zinnebeeld blijkbaar niet specifiek christelijk is, maar eerder in de volkssymboliek dan in de kerkelijke symboliek thuishoort.

Inderdaad heeft men hier te doen met een zinnebeeld, dat reeds in het volk leefde voordat het Christendom zijn invloed deed gelden. Zooals de kerk vele dingen, waaraan het hart der Germaansche volken hing, met een gewijzigde beteekenis overnam en als het ware doopte, zoo heeft zij ook de zinnebeelden en in haar vormenschat opgenomen.

Gaat men de Germaansche symboliek uit den tijd der volksverhuizingen na, dan treft men telkens weer beide zinnebeelden aan, maar ook reeds lang voordien vindt men ze bij nader onderzoek: ook in de eeuwen vóór Christus waren ze bij de Germaansche volken bekend en geliefd als versiering.

De vraag rijst: waar komen deze beide zinnebeelden vandaan en wat is hun beteekenis?

Het antwoord op deze vraag kan alleen gegeven worden door na te gaan, sedert wanneer wij deze zinnebeelden in het bezit der Germaansche volken vinden. Wij zagen, dat zij voorkwamen aan de Gothische kathedralen; maar ook ten tijde der volksverhuizingen, toen tal van Germaansche stammen en volken zich uit hun oorspronkelijk woongebied in het Noorden van Europa naar het Zuid-Oosten en Zuid-Westen begaven op zoek naar nieuwe woonplaatsen voor de toegenomen bevolking, komt het op de sieraden en andere voorwerpen dier Germanen voor. Bij onderzoek in deze oorspronkelijke woonplaatsen der Germanen vindt men dat het zinnebeeld reeds voorkomt bij hen in den tijd, toen zij met het gebruik van ijzer nog niet vertrouwd waren, doch in plaats hiervan brons bezigden, d.w.z. in een tijdperk, dat teruggaat tot omstreeks 1800 jaar voor onze jaartelling. Deze tijd is blijkens de vondsten een bloeitijd der Germanen geweest. Zij bewoonden toen de streken rond de Oostzee: Zuid-Zweden, Denemarken, Noord-West Duitschland, van waar zij zich geleidelijk zuidelijker uitbreidden.

Hier hadden zij zich ontwikkeld uit de bevolking, welke daar sedert dit deel van Europa na den ijstijd vrij was van het landijs inheemsch was. Van deze inheemsche bevolking waren in voor-Germaanschen tijd, toen men in plaats van brons vuursteen voor wapens en gereedschap bezigde, ook al groote groepen op zoek naar nieuwe woongebieden weggetrokken, deels tot voor-lndië toe. Naar de verbreiding van de cultuur, welke deze volken met zich brachten, van Europa uit tot in Indië toe, spreekt men van Indo-Germaansche cultuur en Indo-Germanen. Deze Indo-Germaansche volken (Kelten, Illyriërs, Slaven, Grieken enz.) waren dus nauw verwant aan de Germanen: de Germanen waren uit dezelfde volkengroep voortgekomen. Zoo vindt men b.v. het zinnebeeld ook op Grieksche sieraden terug, zoo goed als op de merkwaardige rotsteekeningen, welke in Zuid-Zweden zijn gevonden. Deze rotsteekeningen bevatten een symboliek, waarvan in den steentijd de eerste verschijnselen waarneembaar worden en waarvan de scheppers de in deze noordelijke streken inheemsche menschen zijn, welke gemeenschappelijke raskenmerken hebben, zoodat men hen naar hun oorsprong als Noordras aanduidt. Dit Noordras leeft voort in de Germaansche volken, die de erfgenamen zijn ook van de oeroude heilige zinnebeelden van dit ras.

Dat een heilig zinnebeeld is. leert ons reeds de plaats die het inneemt in de kerkelijke symboliek. De kerk zou het niet hebben overgenomen, indien het niet een hooge plaats innam in de waardeering van het volk.

Welke plaats dat was? Er zijn wel aanwijzingen, die daarover eenig licht verspreiden. Wij vinden , meestal als geschreven - wellicht als gevolg van de Germaansche neiging om de runen een langgerekte vorm te geven - namelijk als rune in het runen-alfabet gebruikt voor de letter h. De naam dezer rune is "hagal". In het z.g.n. Wessobrunner gebed komt voor op de plaats van het woord "God". In een oud-Noorsch runengedicht wordt van de hagal gezegd:

Hagal er kaldest korna

Kristr skop haeimenn forna

d.w.z.:

Hagel is de koudste korrel

Christus schiep de oeroude wereld.

Voor het gevoel van den dichter was er dus blijkbaar eenig verband tusschen Christus en de beteekenis der hagal-rune. Een dergelijk verband tusschen twee regels is althans bij enkele andere schijnbaar onsamenhangende runen-verzen op te maken, hoewel het meerendeel tot nu toe zonder verklaring is. In de latere christelijke symboliek vindt men dan ook af en toe Christus aangeduid door het symbool , b.v. op de kathedraal te Monza in een symbolische voorstelling, (zie afb.) die kennelijk op Golgotha zinspeelt.

Figuren van den gevel der Kathedraal te Monza (Italië). 12e eeuw. Zinnebeeldige Golgotha-voorstelling.

Men heeft hier dus te doen met een oeroud, heilig zinnebeeld, dat in christelijken tijd de beteekenis heeft gekregen van het heiligste wat men toen kende: Christus zelf, maar dat van veel ouderen oorsprong is. De oude voorstelling is door een nieuwe verdrongen. maar de beteekenis is gebleven: het heilige, de grond van alle dingen.

In dien zin vinden wij het dan ook in voor-christelijken tijd voortdurend aangewend.

De vraag dringt zich nu echter op: waarom is  of een heilig zinnebeeld?

Naast komt op de Zweedsche rotsteekeningen ook een ander zinnebeeld voor: de cirkel met het rechtstandige, vierarmig kruis . Dit laatste zinnebeeld blijkt bij deze rotsteekeningen zelfs veelvuldiger voor te komen dan , al komen beide ook naast elkaar voor. De gissing ligt dus voor de hand, dat beide zinnebeelden iets met elkaar te maken hebben en in gelijksoortig verband gebruikt werden.

Rotsteekening uit Zuid-Zweden (Zon - Zonnegod), voorgesteld door het 6-spakige rad. De figuren stellen schepen voor, waarop een gewijd dier en het zinnebeeld, aan een staak op den steven bevestigd.Sierschijf. Duitschland, midden van het brons-tijdperk (± 1500 j. v. Chr.)Motief op een Wikingen-sieraad, 6-spakig zonnerad met zinspeling op het 8-spakige rad.Broodkrans aan Palmpaasch - Rijssen.

Het zinnebeeld vindt men ook in veel lateren tijd terug. Het komt in de christelijke symboliek voor, maar ook daarbuiten: in tal van volksgebruiken, die men samenvat onder den naam van folklore of volkskunde komt voor als symbool; b.v. op de bekende palmpaschen. Het is bekend, dat men hier te doen heeft met het zonnerad.

Het is dus waarschijnlijk, dat ook een voorstelling van het zonnerad is. Het verschil tusschen of behoeft dan echter nog verklaring.

Deze verklaring ligt betrekkelijk voor de hand, wanneer men zich rekenschap geeft van de streek, waar deze symbolen ontstaan zijn als uitdrukking der wereldbeschouwing van het Noordras, dat zijn cultuur en zijn bloed heeft voortgezet in de West-Europeesche volken, die thans de wereld beheerschen.

Wij weten van dit Noordras, dat het den akkerbouw kende. De Zweedsche rotsteekeningen van ploegende boeren, leeren ons dit. De volken van het Noordras kennen wij als boerenvolken, wier geheele cultuur van een boersche wereldbeschouwing doordrenkt is, evenals dit later het geval is met de Germaansche volken. Willen wij de symboliek van deze volkeren in haar oorsprong en ontwikkeling begrijpen, dan dienen wij uit te gaan van het wereldbeeld van den boer en ons daarbij te verplaatsen naar die veel noordelijker gelegen streken, waar deze geheele cultuur ontstond.

De boer, die in het voorjaar zijn voren ploegde en zijn graan zaaide, in den zomer oogstte en in het najaar de natuur zag afsterven, zag de levenbrengende zon in den loop van dat jaar eerst steeds grootere bogen aan den hemel beschrijven, die na midzomer geleidelijk steeds weer kleiner werden. Met het kleiner worden der boog, die de zon boven den horizon beschreef, werden de nachten langer, de koude nam toe, sneeuw en vorst kwamen en deden het plantenleven sterven, totdat tenslotte omstreeks midwinter de zon nauwelijks nog boven den horizon uitkwam en het eind van alle leven gekomen scheen. Maar de ervaring van hemzelf en de overlevering van het voorgeslacht zei hem, dat op dien schijnbaren dood een nieuw ontwaken zou volgen. Er was dus een kringloop, die jaar genoemd werd en waarin leven en dood elkaar afwisselden naarmate de zon hooger of lager aan den hemel rees. Deze kringloop liet zich voorstellen door een cirkel. In dien cirkel kon men twee vaste punten onderscheiden: midzomer en midwinter. Met midwinter kwam de zon in het Zuiden nauwelijks even boven den horizon - op nog hoogere breedte dan Zuid-Zweden zelfs in het geheel niet meer - met midzomer ging de zon vrijwel in het Noorden op en onder. Brengt men op den cirkel Noord en Zuid aan, dan deelt de lijn die deze punten verbindt den cirkel in twee gelijke helften.

Men kan het jaar dus voorstellen als een cirkel, die door een lijn van Noord naar Zuid in tweeën wordt gedeeld:

Inderdaad vindt men nu in de zoogenaamde Angelsaksische runenrij van 24 teekens het teeken met den naam "ger" ( = year, jaar) en wel juist op de 12e plaats van het begin, dus op een punt, dat overeenstemt met midzomer.

Ook op de oud-Noorsche boerenkalenders, de z.g.n. stafkalenders, van hout vervaardigd en met runen en runen-achtige zinnebeelden en teekens besneden, komt het teeken voor met de beteekenis van "jaar".

Let men nu nauwkeuriger op den gang van de zon door het jaar, dan ziet men, dat er behalve midwinter en midzomer nog twee markante punten zijn: de voorjaars- en najaars- dag- en nachtevening, waarop de zon precies in het Oosten opgaat en in het Westen ondergaat en dag en nacht even lang zijn.

Voor de bewoners der Noordelijke streken van Zweden laat de jaarlijksche zonne-omloop zich dus symboliseeren door een cirkel, die door een rechthoekig kruis in vier gelijke deden verdeeld is:

Het feit nu, dat bij de oude Zuid-Zweedsche rotsteekeningen telkens voorkomt als zonnesymbool duidt er op, dat het volk dat aan dit symbool het aanzijn gaf, afkomstig moet zijn geweest uit zeer Noordelijk gelegen streken, waar inderdaad de omloop der zon aan den hemel dit beeld te zien gaf. De ontginbare steenkolenlagen op Spitsbergen bewijzen, dat deze streken vele eeuwen geleden een bewoonbaar klimaat gehad moeten hebben. Een zeer noordelijke oorsprong van wat men dan het oorspronkelijke Noordras noemt, dat de Indo-Germanen vormde waarvan de laatste schakeI de Germanen zijn, is hoogst waarschijnlijk op grond van de wereldbeschouwing en symboliek, die dit ras aan de volkeren meegaf, die hun herkomst daaruit kunnen afleiden.

Hiermede is nu tevens de beteekenis van gegeven.

Op meer zuidelijke breedte immers vertoont de zon een anderen schijnbaren omloop. Toen deelen van het oorspronkelijk zeer noordelijk wonende ras zich meer naar het Zuiden bewogen - wellicht onder den invloed van klimaatwijziging - merkten zij, dat de zon met midzomer nog wel in het Zuiden zeer hoog stond, maar niet meer zoo hoog als in hun oorspronkelijk woongebied. Daarentegen verdween hij omstreeks midwinter niet meer geheel onder den horizon, hen in den poolnacht achterlatend. De boog, dien hij met midwinter aan den zuidelijken hemel beschreef, was wel klein, maar hij verscheen toch. Men kon aan den horizon het punt aangeven waar hij in het Zuid-Oosten verscheen en waar hij in het Zuid-Westen onderging op dien allerkortsten dag van het jaar. Omgekeerd stond hij met midzomer ook des nachts niet meer bijna in het Noorden, maar verdween op den langsten dag slechts zeer ver in het Noord-Westen onder den horizon en kwam zeer ver naar het Noord-Oosten op. Ook deze beide punten lieten zich vaststellen.

Met de Noord-Zuid-lijn van het gedeelde jaar ontstond zoodoende de figuur , zinnebeeld van de zon bij de voor-Indo-Germanen, die meer zuidelijk hun woonplaats hadden. Zoo vindt men op de rotsen van Zuid-Zweden naast het oude teeken , meegebracht uit het oorspronkelijk stamland als hoogheilig zinnebeeld, ook als nieuw zinnebeeld.

is dus niet anders dan het zonnerad. En als zoodanig vinden wij het bij alle Indo-Germanen en dus ook bij de Germanen als heilig zinnebeeld tot op den huidigen dag.

Bijzondere vermelding verdienen in dit verband de oeroude steenzettingen, die met name op de Britsche eilanden niet zeldzaam zijn en waarbij een zestal groote steenen zoodanig geplaatst zijn, dat zij een in 6 gelijke deelen verdeelden cirkel vormen, met een zevenden steen in het midden. Zij vormen als het ware steenen kalenders en vervulden vermoedelijk een plaats in den eeredienst van den zonnegod.

Een combinatie van en geeft dan ten slotte het zinnebeeld , dat bovendien nog de dag- en nachteveningspunten Oost en West bevat. Ook dit vinden wij reeds op de Zuid-Zweedsche rotsteekeningen; het komt evenzeer tot op vandaag veelvuldig voor.

Want nog altijd leven deze zinnebeelden ook in ons volk. Men behoeft slechts om zich heen te zien om zoowel als en als tenslotte telkens tegen te komen. Van deze zinnebeelden zijn echter en wel het meest algemeen. Wij willen tenslotte nog de aandacht vestigen op verschillende vormen, waarin dit zinnebeeld ook thans nog voorkomt.

Het voorkomen van in kerken als raam werd reeds vermeld. Ook in andere gebouwen komt het veelvuldig voor, niet alleen in zijn geheel, maar ook zeer vaak gedeeltelijk. Men kan het rad namelijk plaatsen met één spaak horizontaal of met één spaak verticaal. (fig. 3, 4 en 9) Heeft men nu een halfrond raam, zooals bij stallen meestal het geval is, dan kan men door uit het middelpunt van den rechten onderkant van het raam twee spaken schuin naar links- en rechtsboven te laten loopen, een half zonnerad vormen.

Fig. 3: Raam in een zijmuur der kazerne Mil. Politie - Zutphen.Fig. 4: Raam in een huis N. Looiersstraat - Amsterdam.Fig. 9: Deurvenster in de nieuwe Geref. Kerk (Waalkerk) - Amsterdam.

De rechte onderkant vormt dan de twee horizontale spaken (fig. 2 en 5). Laat men den middelsten kleinen cirkel weg, zoodat de spaken elkaar snijden en de vormen, dan krijgt het halfronde raam den vorm, die afbeelding 2 te zien geeft boven het raam met de gesloten luiken:

Fig. 2: Boerenschuur te Laren(N.-H.).Fig. 5: Stalraam - zeer algemeen.

Uitgaande van den grondvorm van het zonnerad, kan men voorts den nadruk leggen op de zes spaken, de zesster, of op de tusschenruimten tusschen de spaken.

Legt men den nadruk op de tusschenruimten, dan laat zich uit het zonnerad een 6-bladige rozet vormen, waarbij tal van variaties mogelijk zijn. Men kan de bladeren rond of spits maken, meer en minder scherp in den cirkel doen overgaan, zeer los van elkaar plaatsen of door buiging der spaken een rozet vormen, waarvan de bladeren. als het ware over elkaar heen liggen, waarbij het geheel schijnbaar een draaiende beweging krijgt (fig. 2, 6, 7 en 8).

Fig. 6: R.K. Kerk te RaaIte (O).Fig. 7: Kerk te Nijkerk.Fig. 8: R.K. Kerk Keizersgracht - Amsterdam.

Worden de bladeren der rozet smaller, valt dus de nadruk meer op de spaken, dan ontstaat een 6-puntige ster (fig. 10), waarvan de punten weer meer af minder scherp kunnen uitvallen*. De allereenvoudigste vorm, waarin het zinnebeeld zich laat aanbrengen, is tenslotte de zesster (vgl. fig. 11) met enkele lijnen.

Fig. 10: Vensterluik te Harmelen.Fig. 11: Bovenlicht van een woning te Hilversum.

In de bijgaande afbeelding!en vindt men zonnerad en zesster in enkele van de vele vormen, waarin zij voorkomen.

Deze voorbeelden mogen volstaan - het zonnerad komt in Nederland zoo veelvuldig voor, dat iedereen deze voorbeelden met honderden kan vermeerderen door in eigen omgeving rond te zien. En het zijn niet alleen oude gebouwen, die het zonnerad vertoonen; dagelijks worden huizen, boerderijen, schuren en stallen gezet, zelfs in onze groote steden, die het zonnerad geheel of gedeeltelijk vertoonen. Wel een bewijs, hoezeer dit oeroude zinnebeeld, erfstuk van ons ras sedert duizenden jaren, nog heden in ons volk leeft.

Dat spreekt ook eigenlijk van zelf. Want het zonnerad is het zinnebeeld van den kringloop van het jaar, van den omloop der zon door het jaar. Dien zelfden kringloop vinden wij terug in opgang en ondergang der zon, in dag en nacht. Het jaar vormt feitelijk een grooten dag, de dag een klein jaar. En ook het menschelijk leven vertoont opgang, middaghoogte en ondergang. Zoo werd het zonnerad voor den Germaanschen mensch het heilige zinnebeeld bij uitstek, dat hem de vaste orde der schepping voor den geest bracht en hem sprak van opgang, ondergang en verrijzenis van nieuw leven. Het diep religieus bewustzijn van den Germaanschen mensch vond in dit zinnebeeld alles uitgedrukt, wat het als goddelijke orde der wereld erkende. Heel de organische orde, waarin zijn eigen leven verliep, vond hij in dit zinnebeeld. Het zonnerad is daarom het zinnebeeld der Germaansche wereldbeschouwing, welke die van den in bloed en bodem wortelenden boer is. En zoo behoeft het geen verwondering te baren, dat wij ook in onze dagen dit zinnebeeld der Germaansche, der oer-Noordsche wereldbeschouwing alom terugvinden, waar volken van Noordschen bloede wonen, dus ook alom in Nederland.

H. Reydon

Afbeeldingen:

fig. 1 Dwarsschip van den Dom - Utrecht.

fig. 2 Boerenschuur te Laren(N.-H.).

fig. 3 Raam in een zijmuur der kazerne Mil. Politie - Zutphen.

fig. 4 Raam in een huis N. Looiersstraat - Amsterdam.

fig. 5 Stalraam - zeer algemeen.

fig. 6 R.K. Kerk te RaaIte (O).

fig. 7 Kerk te Nijkerk.

fig. 8 R.K. Kerk Keizersgracht - Amsterdam.

fig. 9 Deurvenster in de nieuwe Geref. Kerk (Waalkerk) - Amsterdam.

fig. 10 Vensterluik te Harmelen.

fig. 11 Bovenlicht van een woning te Hilversum.

Literatuur:

Oskar Almgren: Nordische Felszeichnungen als religiöse Urkunden (M. Diesterweg, Frankfurt a. M.). Oskar Montelius: Kulturgeschichte Schwedens (Seeman, Leipzig).

Karl Schuchhart: Vorgeschichte von Deutschland (Oldenburg-München).

Herman Wirth: Heilige Urschrift der Menschheit.

Johann von Leers: Das alte Wissen und der neue Glaube (Hanseatische Verl. Hamburg).

*In dit verband moet nog op een veel voorkomende misvatting gewezen worden, volgens welke de zespuntige ster een joodsch symbool zou zijn. Dit is stellig onjuist. Het zinnebeeld der twee dooreengeslingerde driehoeken, die een zes­puntige ster vormen is door de joden geannexeerd, maar niet hun geestelijk eigendom.

Het is bekend, dat de historische rol der Semietische volkeren in hoofdzaak be­staan heeft in de assimilatie en het verder dragen van oudere, niet door hen geschapen culturen, o.a. van de zeer hoog staande Sumerische cultuur. Deze cultuur ontstond omstreeks 3700 jaar v. Chr. in de vlakte van Euphraat en Tigris met de uit het Noorden gekomen immigratie der Sumeriërs, en ging door het binnendringen der Semieten en het uitsterven van de Sumeriërs om­streeks 2000 jaar v. Chr. ten gronde. De onderzoekingen dier laatste jaren hebben aan het licht gebracht, dat Noordras-volken een veel belangrijker rol gespeeld hebben bij het ontstaan der oude Voor-Aziatische beschavingen dan men vroeger wist. Zij zijn de eigenlijk scheppenden geweest; de inheemsche bevolkingen de ontvangenden. Het voorkomen van zespuntige ster en hakenkruis in het Oosten vindt zijn verklaring in verovering en overheersching door hoogbegaafde uit den Noordelijken cultuurkring afkomstige volken.