Strijd om Germaneneer in der loop der eeuwen
"Zoveel hoofden, zoveel zinnen" is de onbevangen lezer geneigd te denken, als hij van de sterk uiteenlopende meningen kennis neemt, die ook op het gebied van de volkskunde blijken te bestaan. En in het hoofd van de leek warrelen al die van elkaar afwijkende gezichtspunten dan ook meestal tot een chaos zonder kop of staart dooreen.
Niettemin is er wel enig systeem in al die tegenstrijdigheden te vinden, vooral als wij ontdekken, dat die verschillen niet alleen hun ontstaan danken aan de persoonlijke inzichten van allerlei geleerde onderzoekers, maar tevens uitvloeisels zijn van verschillende wereldbeschouwingen, die door deze vaklieden hetzij bewust of onbewust, vertegenwoordigd worden. Dit inziende, kunnen wij al spoedig enige orde in de warwinkel brengen, door al die individuele eigenaardigheden terug te brengen tot de wereldbeschouwing, waaruit zij voortkwamen.
Weliswaar doen wij daarmee afstand van de illusie, dat de wetenschap "vrij" zou zijn, maar er zijn dan ook voldoende gegevens om deze veronderstelling als een zoete waan te mogen opzij zetten.
De gedachte van waaruit de in dit blad (Hamer -M./Nl.H.F.) behandelde onderwerpen worden benaderd, is -en dit zij bij voorbaat vastgesteld- eveneens niet "vrij", althans niet in de zin van aan-niets-en-niemand-gebonden, niet "objectief" in de betekenis van onbevooroordeeld en onpartijdig.
Want hier wordt alles behandeld vanuit een volks standpunt, d.w.z. vanuit het oogpunt van ras, het bloed en de bodem.
Er wordt zeer stellig partij gekozen voor de Germaanse eigenaard en tegen al wat volksvreemd is, met het kennelijk doel om het heil van eigen volk te bevorderen en eigen wezen van vreemde smetten te zuiveren.
Dit is niet objectief, natuurlijk niet.
Maar is een dergelijk streven ook bij voorbaat "onwetenschappelijk", omdat daarbij gebruik gemaakt wordt van wetenschappelijke gegevens, die in de strijd om deze Germaanse waarden werden gewonnen?
Ik meen, dat onze "volkse wetenschap" niet minder wetenschappelijk behoeft te zijn dan de wetenschappen, die aan andere wereldbeschouwingen gebonden zijn. Als wij het resultaat in aanmerking nemen, waarmee op ons gebied, d.w.z. op het gebied van de rassenkunde, de voortijdkunde, de zielkunde en de volkskunde de laatste jaren is gewerkt, dan meen ik zelfs, dat de volkse wetenschap "vrijer" heeft moeten staan, dan dit bijvoorbeeld met confessionele en materialistische wetenschappelijke disciplines het geval was.
In ieder geval heeft de volkse instelling ten opzichte van alle mogelijke vraagstukken niet alleen tot een politieke strijd geleid, maar tevens tot een strijd der wetenschappen. Op volkskundig gebied zien wij overal duidelijk de omtrekken van een drieërlei wereldbeschouwingen zichtbaar worden: de confessionele, de materialistiche en de volkse. Dit is geen verschijnsel van de laatste tien jaren, zelfs niet van deze eeuw, want alle drie zijn in de loop der eeuwen voorbereid en gegroeid. De confessionele wetenschap was in de middeleeuwen praktisch alleenheersend en gaf ook lang daarna de toon aan. Het humanisme bijvoorbeeld, was nog zeer zwaar met confessionele vooroordelen belast. Het materialisme neemt duidelijke vormen aan tijdens het rationalisme, in de 18e eeuw, om in de negentiende eeuw tot ontwikkeling te komen en in de 20ste eeuw tot officiele staatwetenschap van de Sovjet-Unie te worden.
De volkse wetenschap groeit, zoals wij zien zullen, uit de Germaanse bewustwording van het Noorden, heeft haar wortels reeds diep in het humanisme, neemt gestalte aan in het idealisme en in de romantiek, om tegen het eind van de negentiende eeuw snel aan betekenis te winnen en in 1933 tot officiele Rijkswetenschap te worden.
Wij zullen die groei van wetenschappen in een snelle vogelvlucht trachten te volgen, na ons huidige standpunt allerkortst te hebben samengevat, opdat ook de lezer kan zien, dat de huidige tegenstellingen en inzichten niet zo maar opeens uit de lucht zijn komen te vallen als een kant-en-klare politieke doctrine.
Voor ons is de volkskunde de kennis van eigen aard en wezen, van eigen verleden en eigen geschiedenis. In het bijzonder van de Germaanse aard van onze zeden en gebruiken en wat daarbij allemaal te pas komt. Niet met het doel om deze dingen alleen maar te "kennen", maar ook om er gevolgtrekkingen uit te maken voor onze toekomst. Want wij staan op het standpunt, dat ook deze toekomst Germaans van aard en levenshouding moet zijn, wil er van een organische en harmonische volkskultuur sprake kunnen zijn.
Puttend uit de rijke schat van het nieuwe wetenschappelijke materiaal moeten de volgende "stellingen" heden als volkomen bewezen gelden:
a. De Germanen stammen af van een "Indo-Germaans" oervolk, dat van zijn oorsprong af in Europa was gevestigd en dus ook hier is ontstaan.
b. De Germanen hebben in het Noorden van Europa, uitgaande van de landen om de Oostzee, een geheel onafhankelijke eigen kultuur gesticht, die reeds tweeduizend jaar voor het begin van onze jaartelling een ongeëvenaarde hoogte heeft bereikt, n.l. in de tijd, die wij de bronstijd noemen.
c. De Germanen waren van het ogenblik van hun volkswording af, dus ongeveer vierduizend jaar geleden, reeds gevestigde boeren en ontleenden aan deze bodemverbondenheid de grondslagen van hun kultuur.
d. De Germanen hebben als bodemverbonden, scheppend volk in de tijd van hun onvertroebeld en ongebroken bestaan een geheel eigengeaard en in zichzelf berustend vredestij gekend, waarin een heidens geloof van gelukkige natuurverbondenheid en heilvolle schoonheid heeft gebloeid, (niet minder diep en zinvol voor ons leven, dan de grote religies van andere volken en rassen dit voor die volken waren) en -voortgekomen uit onze rasziel- met ons wezen volkomen overeenkomend.
e. De Germanen hebben, omdat zij overwegend tot het Noordras behoren, een bijzondere plaats en taak in de wereld als laatste bloedreserve van dit ras, dat -overal kulturen opbouwend- steeds weer nieuwe golven Noordrasmensen in de loop der geschiedenis uitzond, maar ook deze golven steeds weer zag ten ondergaan.
f. De Germanen van heden moeten juist om derwille van die zending tot zelfbewustzijn gewekt worden, op alle manieren, die ons ten dienste staan, zo ook door middel van de kennis van eigen volksgebruiken, volksgeloof en volkskultuur in de meest uitgebreidde zin.
Aangezien volkskunde en Germanenkunde heden niet meer zonder samenwerking met de mensenkunde in het algemeen kan worden beoefend, steunen wij tevens op de gegevens van erfelijkheidsleer en de afstammingsleer en achten o.m. het volgende bewezen:
1. De mens is de hoogst ontwikkelde van de "primaten" en heeft zich uit de oudere vormen van diersoorten ontwikkeld.
2. Deze ontwikkelingsgang geld zowel voor het lichaam als voor de ziel en dus heeft ieder mens niet alleen een lichamelijke erfelijke aanleg, maar bezit ook in zijn ziel een oeroud erfdeel.
3. Deze aanleg vererft volgens bepaalde wetten en in die zin mag van "onveranderlijk" oeroud erfgoed sprake zijn, dat deel van onze volksrijkdom uitmaakt, zolang het bloedzuiver wordt bewaard.
Indien wij aan deze voorop gezette "stellingen" nog iets willen toevoegen, dan is het wel dit, dat uit hoofde van dit alles ook op religieus gebied enkele gevolgtrekkingen niet konden uitblijven, waaronder slechts deze vermeld zij:
Het Germaanse geloof is een geloof van deze aarde. De Germaanse mens vindt de hoogste levensvervulling in de volheid van het leven zelf en kent slechts een eeuwigheid, n.l. de eeuwige keten vam: geboren worden, leven en sterven in heel de schepping, ook in de geslachten van de mens zelf.
En slechts een onsterfelijkheid, n.l. die van "der doden dadenroem", de eervolle herinnering aan het welbsteed leven, die wij "Minne" noemen.
Tacitus'
Germania
De aanvang van de Germaanse volkskunde, moeten wij, zoals gezegd,
dus reeds enkele eeuwen geleden zoeken, als onderdeel van de onderzoekingen,
die door ons voorgeslacht werden gedaan, zodar de wetenschap zich
los maakte uit de theologische windselen om op eigen benen verder
te gaan. De kennis van ons eigen wezen, van herkomst en geaardheid
van ons volk en van de oorsprong van onze kultuur, is daarbij merkwaardig
genoeg reeds dadelijk tot een kultuurpolitiek wapen van het Germaanse
Noorden, tegen de macht van de roomse kerk geworden.
Twintig jaren na de uitvinding van de boekdrukkunst werd n.l. te Venetië een oud handschrift op de drukpers gelegd, dat in 1470 aldus voor de eerste maal in boekvorm verscheen, nadat het enige tientallen jaren eerder uit het Duitse klooster Corvey -aan de Wezer- naar Italië was gevoerd.
Dit boekje, dat tot heden nog steeds onmisbaar is voor de kennis van ons voorgeslacht en door de eeuwen heen honderden geleerden heeft bezig gehouden en tot tientallen belangwekkende studies aanleiding heeft gegeven, was Tacitus' Germania. Het boekje verscheen in het jaar 98 en maakte toen in Rome, waar men met vrees en beven de geweldige Germaanse stormvloed tegemoed zag, die van het Noorden op het decadente imperium aan kwam bruisen, grote indruk.
Tacitus, die de Germanen zeker niet lieflijk gezind was en ze het liefst aan onderlinge twisten te gronde had zien gaan, was echter rechtgeschapen genoeg, om zijn vijanden in hun waarde te laten.
Daar hij zijn landgenoten bovendien voor een dreigend gevaar wenste te behoeden, had hij er geen belang bij de Germanen zwakker voor te stellen dan zij waren. Integendeel, juist hun zedelijke kracht, hun ongebroken wereldbeschouwing, hun eenvoud en zuiverheid waren de ergste gevaren, die Rome bedreigden.
En hoewel Tacitus zijn bericht over de Germanen volgens de kunstnormen en eeuwenoude antieke tradities schreef, die sedert Herodotus daar gebruikelijk waren voor de beschrijving van vreemde, zogenaamde "barbaarse" volken, een traditie die zijn opzet en schrijfvorm zeker sterk beïnvloedde, is de Germania niettemin in de wijze van beschouwen een zo persoonlijk werk, dat het boek als bron voor de volkskunde van grote waarde is.
Zelfs als men in aanmerking neemt, dat Tacitus zelf nooit in Germanië is geweest, maar zijn kennis putte uit oudere geschiedschrijvers, die over de Germanen schreven (zoals Caesar, Livius en Plinius) en uit mondelinge verlagen van de soldaten van de bezettingstroepen van het Rijnland, van deelnemers aan de veldtochten en van kooplieden die deze gebieden bereisd hadden, dan nog heeft geen volk ter wereld een dergelijke nauwkeurige, karaktervolle en doorwerkte schriftelijke overlevering van zijn eigen oudheid als juist wij, Germanen. En bovendien een zeldzaam hooggstemd en eerbiedig loflied van een zeer bewuste tegenstander.
Is het een wonder, dat onvolkse machten al het mogelijke gedaan hebben om dit eervol getuigenis te verduisteren.
Is het vreemd, dat de fouten (die Tacitus wel maken moest door de noodzakelijke mistekeningen in de berichten van zijn zegslieden, die immers slechts volken op voet van oorlog zagen en door het onvermogen van de Latijnen om de Germaanse volksziel te doorgronden en hun religie te verstaan), in dit oude document steeds weer opnieuw zijn aangegrepen om ons verleden zwart te maken? Neen -maar de moderne wetenschappelijke methoden, de resultaten van de opgravingen bijvoorbeeld, hebben ondertussen bewezen, dat Tacitus zijn lof niet overdreven heeft.
Misbruik
van de "Germania"
De middeleeuwse scholastiek, de aan de kerk horige wetenschap, heeft
zich om de Germania niet bekommerd. Christelijke overwegingen bepaalde
uitsluitend de leerstof. Toen het humanisme later gedwongen werd
om volks- en heemkunde te gaan beoefenen, bestond daarvan in het
Noorden dan ook niet de geringste voorbereiding. Integendeel, onder
de ban van het "ex Oriente lux" was het volkseigene volkomen
verwaarloosd en dus moesten de humanisten op de antieke bronnen
en Italiaanse voorbeelden teruggrijpen.
Toen in 1473 de Germania ook in Neurenberg verscheen, trok het boekje evenals in Venetië weinig belangstelling. Dit veranderde echter eensklaps, toen het werk van actuele politieke betekenis werd.
Het Duitse Rijk moest toen namelijk zware belastingen betalen aan het pauselijke hof te Rome. Toen daartegen bezwaar werd gemaakt antwoordde kardinaal Enea Silvio -vroeger geheimschrijver van keizer Frederik III en later paus Pius II- dat Germanië vroeger een armzalig en kultuurloos land was geweest en pas door de zegeningen van de roomse kerk tot een bloeiende staat was geworden...
De bewijzen hiertoe, zocht hij bijeen in Caesars verslagen van de Gallische oorlogen en later, toen hij Tacitus onder zijn bereik kreeg, in de Germania. Zo werd van het eerste verschijnen af Tacitus' Germania door de roomse politiek tegen het Noorden gebruikt. Enea gaf zelfs een eigen "bewerking" uit: "De ritu, situ, moribus et condicione Germania descripto", die in 1496 te Leipzig werd gedrukten snel verbreid werd. Merkwaardig is, dat kardinaal Faulhaber in de twintigste eeuw nog precies dezelfde argumenten gebruikt als zijn voorganger meer dan vier eeuwen geleden, om Rome's optreden in het Noorden te rechtvaardigen. Niettemin gaf dit geschrift de stoot tot een grondige studie van de Germania, want de Noordse humanisten lieten zich niet onbetuigd en stelden alles in het werk om de tekstverminkingen van de pleitbezorger van de kerkelijke machtsaanspraken op te sporen en recht te zetten. Na korte tijd was de Germania het lievelingsboek -"het gouden boekje" zoals men zei- van alle Germaans voelende geleerden en een sterke steun bij het ontwakende nationale bewustzijn van alle Germaanse naties, die zich losmaken wilden van het Latijnse zuiden.
Behalve
over Tacitus beschikte men over een Ulmer uitgave van de wereldkaarten
van Ptolemeus, in 1482 gedrukt -maar ondertussen bijna 13 eeuwen
oud. Pas tientallen jaren later kwamen betere kaarten uit. Ook de
beschrijvingen van Strabo worden nu meer bekend. Maar zulke antieke
berichten alleen, kunnen aan het doel niet beantwoorden. Teneinde
Rome te kunnen weerleggen moesten de humanisten echter noodgedwongen
heem- en volkskunde gaan beoefenen, om de juistheid van Tacitus'
beweringen over de Germaanse volksaard, over de zeden en gebruiken
van ons voorgeslacht, met de gegevens van de levende werkelijkheid
te bewijzen. Zo ontstonden talloze streekbeschrijvingen, geschiedbeschouwingen
en reisverhalen, geschreven met een open oog voor het volkseigene
en voor oud-inheemse zeden en gebruiken.
En steeds is er een sterke kerkelijke stroming, die deze vragen
in een voor het Christendom gunstige zin tracht te beïnvloeden
en suggesties van onwetenschappelijke, dogmatische aard in het geding
brengt. Ja, tot op de huidige dag is daarin niets veranderd, al
heeft de kerk daarbij de ene stelling na de andere na uiterst taaie
verdediging moeten prijsgeven.
Tegen
volksgebruik en volksgeloof
De oudste wortel van de schriftelijke overlevering vormen -behalve
de klassieke berichtgevers- de middeleeuwse traktaten, preken, boetboeken,
notulen van de verschillende Concilies en de statuten van de Synodes.
Zo is er uit de zesde eeuw een geschrift van de bisschop van Arles
tegen de oude volksliederen bewaard gebleven. Andere tegen het volksgoed
gerichte berichten bezitten wij van Martin Bracca, van de heilige
Pirmin en van Nicolaus v. Dinkelsbühl. De abt van Prüm,
Regino heeft de Duitse conciliebesluiten uit de 9e eeuw verzameld
en belangwekkend om hun ijveren tegen talrijke genoemde gebruiken
zijn ook de preken van Berthold v. Regensburg en de zeer verbreide
tractaten van Thomas Ebendorfer.
Een verschrikkelijk monument van klerikale verdorvenheid en vlolksvijandigheid vormt het misdadige werk "Malleus maleficarum", dat als heksenhamer bijna 300 jaar lang de grondslag voor de ziekelijke heksenwaan zou blijven leveren. Het boek werd rond 1489 a.y.p.s. uit een mengelmoes van christelijke denkbeelden en volksgebruiken ineengezet tot een handleiding voor de inquisitoren bij hun afschruwelijke martelingen. De samenstellers waren de dominicanen Jacob Sprenger en Heinrich Krämer, waarlijk "duivels in mensengestalte" en zij en hun handlangers en navolgers zijn de werkelijke demonen van hun tijd geweest! Honderduizenden Germaanse mensen (en vooral vrouwen) van het beste bloed kwamen om ten gevolge van deze heksenwaan. In 1775 werd in Duitsland nog de laatste "heks" gedood!
Ook als gevolg van de reformatie ontstond een nieuwe golf van haat en afkeer tegen de volksgebruiken en het volksgeloof, die in vele preken hun neerslag vonden, tot ver in de 17e eeuw. Heden zijn die boetpredikaties van grote waarde, omdat zij tenminste het bestaan en de aard van vele volksgebruiken hebben bewaard.
Grote verwarring stichtte een documentvervalsing van de dominicaan Annius vna Viterbo, die in 1498 een mengelmoes van bijbelse gegevens, berichten van Tacitus en andere antieke schrijvers publiceerde, op naam van de Chaldeeër Berosus. De humanisten Beatus Rhenanus en Melanchton hebben dit paapse bedrog dadelijk voorzien, maar de officiële wetenschap was zo verguld met dit "bewijs" van de afstamming van de Germanen tot in Abrahams dagen en zo gesticht met vermeende verwantschap met het uitverkoren volk, dat zij hardnekkig bij de "Berosus" bleef volharden. Een tweede vervalsing is die van de abt van Tritheim, die een zogenaamde Frankische geschiedschrijver, genaamd Hunibald, verzon, die reeds over een Frankisch rijk zou hebben geschreven uit de vijfde eeuw vóór onze jaartelling.
Pas in de 18e eeuw werden de suggesties van deze listige mystificaties overwonnen door de ofiiciële wetenschap. Bijbels-joodse afstammingstheoriën doen echter in de lekenliteratuur nog heden ten dagen opgeld, zoals de "afstamming der Europese volken van de tien stammen Israëls", waarmee men zich in Christelijke kringen nog immer bezig houdt.
Beschrijvingen
van stad en land
De Humanisten ontleenden aan hun Italiaanse voorbeelden ook de belangstelling
voor de oudheid. Rijk verluchte beschrijvingen van steden en landschappen
worden samengesteld en -eveneens naar zuidelijk voorbeeld- daarbij
wordt ook aandacht aan de oudste kultuurmonumenten geschonken. Vooral
de "Italia illustrata"van Flavio Biondo werkte voorbeeldig.
Naar zijn model schrijft reeds in 1478 een Westfaalse boerenzoon,
Werner Rolevinck, die later Karthuizer monnik werd te Keulen, een
boek over de Saksen en het Saksenland. Tien jaar later volgt Felix
Faber uit Zürich, met een beschrijving van de Schwaben en de
stad Ulm. Maar buitengewoon invloed had vooral het grote werk, dat
Konrad Celtus "de duitse aarthumanist" in 1502 over de
stad Neurenberg publiceerde.
In Nederland verschijnt van de in 1510 gestorven Willem Hermanszoon een kroniek over de Waterlanders, maar zo volksvreemd en intellectualistisch, dat het is, alsof deze geleerde humanist en vriend van Erasmus, het over een of andere verre en barbaarse volksstam heeft, in plaats van over ons voorgeslacht. Zeer opmerkelijk is echter het werk, dat Johannus Bohemus ten dienste van de strijd der Humanisten tegen Rome schreef: "Omnium gentium mores, leges et ritus", dat in 1520 verschijnt en waarin zelfs de boeren-jaarkringfeesten reeds vrij uitvoerig worden behandeld. Ook de wetenschappelijke studie van de Germania en van de geschiedenis van het Noorden in het algemeen, maakten grote vorderingen.
Beatus Rhenanus en Peutinger om slechts een paar beroemde namen te noemen, droegen daar het hunne toe bij, niet alleen door eigen bijdragen te leveren, maar ook door de antieke schrijvers over de Germanen uit de tijd der volksverhuizingen en de "Jaarboeken" van Tacitus uit te geven. In Peutingers "Sermones convivales de mirandis Germaniae antiquitatibus" vinden wij de eerste afbeelding van een Germaanse familie uit de tijd van het Noordse Humanisme.
Behalve de gescheidenis van de Gothen van Jordanes, komen nu andere Germaanse gebieden in het licht der openbaarheid. In 1512 verschijnen in Parijs de geschiedenis der Franken, door Gregor van Tours en in 1514 die der Langobarden door Warnefridi en die der Denen van Saxo Grammaticus. In 1579 in Kopenhagen de in 1075 geschreven kronieken van Adam van Bremen, die voor de kennis van het oudgermaanse Scandinavië van beteknis zijn.
Opgravingen
in de 16e eeuw
Uiterst belangrijk en zeer onafhankelijk zijn echter een tweetal
boeken van de reeds in 1525 gestorven Thüringer Nicolaus Marschalk,
die in Schwering en Rostock werkte. In zijn beide werken "Vita
Obetritorum" en "Liber de Herulis et Vandalis" brengt
hij voor de eerste keer ook niet-schriftelijke monumenten (opgravingen)
van het Germaanse Noorden in het geding en wel in verwonderlijk
uitvoerige mate, terwijl hij ze bovendien reeds geschiedkundig tracht
te nutten.
Zo ver was Marschalk zijn tijd vooruit, dat het 120 jaar zou duren, voordat de beroemde Ole Worms, uit Denemarken, op zijn arbeid voort kon bouwen. Weliswaar komt Ole Worms op het gebied van de bodemvondsten geen stap verder (afgezien van zijn grote verdienste als Germanist) maar omdat de tijd ondertussen rijp was geworden, gaf zijn werk de stoot tot het humanistische grafonderzoek uit de 17e eeuw. Sindsdien blijft een stroom, veelal zeer zorgvuldige en uitvoerige verslagen over dergelijke ontgravingen vloeien, vooral van belangstellende landelijke grondbezitters en andere dorpsnotabelen. Alleen de academische wetenschap blijft nog heel lang weigeren "de oude rommel" als waardevol kultuurdocument te aanvaarden.
Philip
Kluwer in de Nederlanden
Nog steeds wordt de universele betekenis van Philip Kluwer, een
"ster van de eerste grootte aan de hemel van de Germaanse wetenschap",
voor de Germanenkunde en de aardrijkskunde geprezen. In 1580 werd
hij in Danzig geboren, maar hij werkte in Nederland, waar hij in
1623 te Leiden stierf.
Zijn in 1616 verschenen "Germaniae antiquai libri III" zijn boeken, waarin meer over de Germaanse oudheid bijeen is gebracht, dan in enig ander werk tot op dat ogenblik. Kluwer kent de antieke bronnen over Germanië nauwkeurig, hij beheerst de afzonderlijke talen en wijst hun samenhang aan. Op dit gebied benadert hij de stand van het onderzoek in de 19e eeuw. Geen ander volk heeft in die tijd dan ook een gelijkwaardig werk over de Germanenkunde naast Kluwers boeken kunnen stellen (uitspraak van Lindenschmit in 1889).
Kluwer geeft o.a. twee verschillende Tacitus teksten (een van Lipsius en een van zichzelf) een grondige afrekening met de Franse geschiedschrijver Jean Bodin en een theorie over de afstamming van de Kelten. En dat is dan meteen de heilvolle en donkere kant van zijn werk. Want Kluwer is geheel bevangen door de suggesties "van de heilige oorkonden van de Israëlieten" zoals hijzelf schrijft. Daarom doet hij alle moeite om de Kelten af te laten stammen van Noach, terwijl hij de eerste is, die de Germanen zelf reeds als volk uit Azië laat komen. Met diepe bevrediging schrijft hij: "en zo zal men op grond van betrouwbare bronnen, de oorspong van ons Germaanse volk tot de eerste mens, tot Adam, terug kunnen voeren". Zelfs op Leibnitz heeft Kluwers Keltentheorie nog ingewerkt! Kluwer maakt zich vrolijk over allen, die de herkomst van de Germanen uit het Noorden aannamen en ook deze spot heeft nog zeer lange tijd nagewerkt.
Ook wat de mythologie betreft bracht Kluwer de wetenschap op een dwaalspoor. Hij nam aan, dat de goddelijke drie-eenheid van het roomse geloof ook de Germanen bekend was, evenals "de schepping van de eerste mens". Sterker dan zijn voorgangers tracht hij dan ook het heidendom als een soort van het Christendom af te schilderen, om van de Germaneneer te redden, wat er uit dogmatisch christelijk oogpunt maar te redden valt.
Van bijzondere betekenis waren verder nog de grote platen uit Kluwers boek, die "de Germanen in hun dracht" voorstellen en tot in de 20e eeuw als de juiste Germanenvoorstellingen bleven gelden! Deze prenten hebben ten voorbeeld gestrekt aan de theater-germanen en de fantastische wildemannen uit menig geïllustreerd modern werk, zonder dat de wetenschap daar iets bij op te merken vond... Pas de onderzoekingen van Karl Müllenhoff (1900) en George Girke (1922) hebben de onhoudbaarheid van deze voorstellingen onweerlegbaar aangetoond.
Lang bleven Kluwers feilen overigens niet verborgen. Hugo de Groot wilde namelijk als Zweeds gezant voor Frankrijk, de oude geschiedenis van Zweden uiteenzetten en ging daartoe tot de oudste bronnen terug. In zijn "geschiedenis der Gothen, Vandalen en Langobarden" (1655) neemt hij het voor de Noordse oorsprong van de Germaanse volken op, met een geharnste aanval op Kluwer.
Jammer genoeg heeft ook De Groot nog geen vermoeden van de juiste samenhang der volken gehad en zit een oude Skythen-mystificatie hem dwars. Dit volk beschouwde hij namelijk als de stamvaders der Germanen. In 1642 had hij reeds een verhandeling over de oorsprong der Amerikaanse volken gepubliceerd. Uiterst merkwaardig is, dat hij daarbij reeds enig idee gehad schijnt te hebben van de kolonisatie der Vikingen in Noord-Amerika omstreeks het jaar duizend. Hugo de Groot heeft in verschillende geschriften bovendien pogingen gedaan om de vrijheid der Nederland tot in de tijd der Bataven te volgen en omgekeerd het innerlijke recht van de actuele vrijheidsstrijd tegen het roomse Spanje op de oudgermaanse idee der vrijheid, zoals hij die van Tacitus kende, te rechtvaardigen.
Van de in 1647 gestorven P.C. Hooft verschenen pas in 1684 al de werken van Tacitus in Nederlandse vertaling, w.o. ook de Germania als: "Boexken van de gelegenheyt en de volken van Germanien", waarvan Hooft reeds in 1630 de vertaling was begonnen.
Nog dient hier het mooi verzorgde, 1632 te Amsterdam verschenen werk van Peter Bertius te worden genoemd: Commentariorum rerum germanicarum libri tres. Het is van Romeins standpunt uit gezien, maar het eerste boek is belangrijk omdat het de Germaanse tijd tot aan Karel de Grote omvat met alle bijzonderheden die vanaf keizer Augustus naar hieromtrent te vinden zijn. Opvallend mooi is de kaart van Germania.
Maar belangstelling was er, niet alleen bij de schrijvers, maar ook bij de schilders en tekenaars, getuige het werk van Boeren Bruegel en van de hem verwante graveurs, zoals de Behams.
Maar op een enkele uitzondering na, was de geest van het Humanisme toch vreemd aan volksche dingen. De geleerde betogen zijn dan ook meestal spottend en aristocratisch-aesthetisch van toon, ja, daar het Humanisme zich tenslotte toch ook niet van het christendom wist los te maken, zelfs bekrompen moraliserend. Men bleef de volksgebruiken dan ook voornamelijk als antiquarische en curieuze zaken beschouwen.
Scandinavische
wetenschap
De Scanidinavische oudheidkunde kwam vrij laat, maar met een ongeëvenaard
zelfbewustzijn voor het voetlicht. De boekdrukkunst bracht namelijk
het eerst een wederopstanding der antieke letteren van het Zuiden
tot stand en het laatst bereikten de Scaninavische kronieken de
drukpersen. Ook de voor het Noorden belangrijke kroniek van Adam
van Bremen werd voor het eerst in 1579 te Kopenhagen gedrukt en
de 15e eeuwse geschiedenis van Ericus Olai "Historia Succorum
Gothorumque" verscheen pas in 1615. Voor Denemarken was het
historisch duister iets vroeger verdreven: in 1514 waren in Parijs
immers de zestien delen van Saxo Grammaticus' "Gesta Danorum"
reeds gedrukt. Een jaar later verscheen dan Jordanes Gothengeschiedenis,
waarbij de Gothen als uit Zweden afkomstig worden beschouwd, in
Peutingers verzorging te Augsburg. Een eigen Zweedse gescheidschrijving
begint met de werken van de gebroeders Johannes en Olaus Magnus.
De belangrijkste van de twee is Olaus, met zijn in 1555 te Rome
verschenen "Historia de gentibus septentrionalibus". In
hun ogen was de geschiedenis van het Noorden veel ouder en grootser
dan die van het zuiden. Een uittreksel van de "Historia"
verscheen in 1652 te Leiden. Kultuurhistorisch bevat het werk vele
bijzonderheden, onder anderen over de Goden der Germanen, een jong
Runenalfabet enz. Hoewel er veel volkomen fantastische beweringen
door Magnussen in omloop zijn gebracht, gaven zij niettemin het
sein tot de wederopstanding van het Noorden in de 17e eeuw.
Een schier onuitputtelijke rijkdom van gegevens, ook over de runenkunde, biedt het werk van Ole Worm, die bijvoorbeeld ook de reeds in 1628 ontdekte, proza-edda kende. Zijn volkskundig belangrijkste publicatie is die over het kalenderwezen, waarvan de 2e druk in 1643 verscheen, in hetzelfde jaar dus, waarin de bisschop van Skáholt op Ijsland de "Codex regius", of zogenaamde "oudere" liederen-edda ontdekt en in dezelfde tijd, dat daar het gebruik van runen -als zijnde een heidense overlevering- verboden werd. Maar ook deze edda was aan Worm bekend, want hij vermeldt in een van zijn boeken de 18 soorten runen, die in de Havamal voorkomen.
Voor runen- en kalenderkunde blijft de studie van Worm dan ook onontbeerlijk. Naast deze Deen is een Zweed voor de runenkunde van grote betekenis, namelijk Johannes Bure, die reeds in 1599 runenstenen "verzamelden" en met grote nauwkeurigheid de opschriften ervan publiceerde, helaas met kabalistische fantasieën er omheen.
In 1700 verscheen een "Scondia illustrata" van Johannes Messenius, waardoor tenslotte ook Zweden zijn plaatwerk had.
Een ware Zweedse renaissance vormden de stichting van het "Antiquiteiten College" te Upsala, in 1666, waaraan de namen van Rudbeck, Verelius, Stiernhjelm en Peringskjöld verbonden zijn.
De meeste betekenis heeft zekre Rudbeck, al ging hij in vele opzichten te ver. Maar waar het er om ging tegenover het Zuiden een in zichzelf rustende Noordse wereld op te bouwen, heeft hij dit beginsel het verst doorgevoerd. Zijn "Atlantica" (1675-1698) was in het Latijn én in het Zweeds geschreven en wekte enorm opzien, door met vele argumenten gestaafde beweringen, die aan de antieke wereld iedere originaliteit ontzegden. Plato's "Atlantis" en het bijbelse "paradijs" verlegde hij zelfs naar Zweden. Het was een slag in het gezicht van de Latijnse wereld. Jammer genoeg was het boek maar weinig toegankelijk, want hoezeer ook in vele opzichten ernaast vormde het een gezond tegenwicht tegen de aan het Zuiden verslaafde schrijvers.
Het is onmogelijk om de geweldige hoeveelheid Scandinavische, in het bijzonder Zweedse, verhandelingen over de Germaanse oudheid hier uitvoeriger te behandelen. Volstaan wij dus met het vermelden dat verschillende schrijvers zowel de gescheidenis als de volkskultuur belichten. De afstamming van de Gothen uit Zweden stond voor de meesten onomstotelijk vast.
Bij Stiernhjelm vinden we een beschrijving van het Germaanse Joelfeest op Midwinterzonnewende (1685), Peringskjöld brengt in 1697 onder de titel "Heimskringla" de oudnoorse koningssaga's uit in het oudnoors, zweeds en latijns naast elkaar. Dit was de eerste publicatie ervan in de oertekst.
Bartholin schreef "over de oorzaken der doodsverachting bij de oude Denen", steunend op de Edda, waaruit nog niet bekende stukken verschenen. Van de vele werken van Torfaeus noemen we slechts de "Universi Septentrionis antiquiates" (1705) die een omwenteling bracht in de mythologische onderzoekingen en voor het eerst klaarheid in de zin van de Edda en de gestalte van Wodan bracht. Ook voor de runenkunde is dit boek van baanbrekende betekenis (o.a. brengt het de drie "runengeslachten"). Andere werken van Torfaeus behandelden de Jomsburg Wikingen en de ontdekking van Amerika door de Noormannen (Historia Vinlandiae antiquae, 1705).
De bijdrage van de Scandinavische Germanenkunde werd daar mee van beslissende betekenis voor de wetenschap van de 18e en de 19e eeuw.
Geschiedenis
na de 17e eeuw
Zo is, geleidelijk aan, de volkskunde uit de geschiedschrijving
in algemene zin voortgekomen. Maar deze wetenschap was tot aan het
einde van de 17e eeuw ook in haar beste uitingen toch niet veel
meer dan een "woeste curiositeiten-verzameling", waarin
alles bijeengegaard werd, wat men nergens anders kwijt kon. Van
een innerlijke ontwikkeling, van geschiedkundige diepten en het
verschil in wezen tussen de verschillende tijdperken, had men nog
geen vermoeden.
Men bepaalde zich tot chronologische optellingen van bewezen en onbewezen feiten, van overleveringen en dogmatische gegevens en dan voornamelijk nog slechts van zaken, die met de heldendaden van beroemde vorsten samenhingen. De Germanen liet men bij voorkeur nog steeds van oudtestamentische personages afstammen, zo nodig via Egypte of Indië, precies zo als de klerikale kroniekschrijvers der middeleeuwen dit reeds ten bate van hun missie hadden gefantaseerd.
De geschiedenis bestond (volgens de profeet Daniël!) uit de lotgevallen van de babylonische, perzische, griekse en romeinse rijken, waarbij het romeinse rijk als "nog bestaande en de hele christenheid omvattende" werd beschouwd. Pas in 1688 verwierp Cellarius dit dorre schema, waarbij een vrijere behandeling van de stof mogelijk werd. Tevens werd in de 17e eeuw een poging gedaan, om de oude bronnen te ziften in betrouwbare en verdichte gegevens. Uit deze oorkondenstudie ontstonden bijvoorbeeld de "Scriptores rerum Germanicarum praecipue Saxonicarum" van Mencke.
De geschiedenis werd nu ook niet langer meer onderwezen door professoren in de redeneerkunst, maar door geleerden in het staatsrecht. Van een theologische werd zij daardoor een juridische aangelegenheid. Dus nog lang geen zelfstandige "volksche wetenschap"! Niettemin werd er ondanks dit toch reeds aan een kultuurgeschiedenis gewerkt. Zo stelde bijvoorbeeld Mascov een driedelige Duitse volksgeschiedenis samen en bracht daartoe alles bijeen, wat er in de antieke bronnen maar over Germanië te vinden is. (1726-'53).
Onder invloed van Engelse geleerden als Robertson en Gibbon, en Franse, als Voltaire, wendde men zich in de tweede helft van de 18e eeuw echter meer en meer tot de kul- turele geschiedschrijving. In het bijzonder de Göttinger school (met geleerden als Gatterer en Schlözer) trad hierbij op de voorgrond, met het inzicht, dat voornamelijk die dingen vermeldenswaard zijn, die een verandering in de geschiedenis te weeg hebben gebracht. Politieke en kultureele dingen worden daardoor gelijkwaardig van betekenis en de ge-schiedenis krijgt eindelijk een zin, een innerlijk leven.
Maar als echte "rationalisten" wilden deze geleerden meteen "de hele mensheid" in hun werk betrekken. Daarmee was een organische beschouwing van het eigenaardige en bijzondere, het eenmalig-plaatselijke van een historische gebeurtenis welhaast uitgesloten.
Friedrich
Friese
Een man, die zijn tijd echter mijlenver vooruit was, was de plaatsvervangende
rector van Altenburg, Friedrich Friese. In 1703 publiceerde hij
een verhandeling over de gebruiken der Altenburger boeren, waarin
hij de zeden en gewoonten bij de bruidswerving, het huwelijk, de
begrafenis en de huur van de knechten en meiden, benevens de klederdracht
beschreef. Van 1705-1716 verschenen bovendien twintig delen over
de gebruiken bij de verschillende handwerkers en ambachtslieden.
Friese, die voor zijn werk reeds gebruik maakte van uitvoerige vragenlijsten, schiep tevens de eerste vergelijkende volkskunde, daar hij alle mogelijke andere gebruiken in zijn beschouwingen betrok, terwijl hij tevens de aandacht vestigde op het historische inzicht, dat bij dit werk vereist wordt. Zijn arbeid werd echter in die dagen niet gunstig ontvangen. De kritiek was dezelfde als die, welke tegen de gebroeders Grimm honderd jaar later zou worden uitgebracht, namelijk dat het onderwerp helemaal niet belangrijk mocht heten en een wetenschappelijk gevormd man onwaardig was.
Nico de Haas