Ons geloof in het leven

n alle leven zit de drang tot zelfbehoud. Elk dier, ja elke plant "wil" leven. Dat wil zeggen, het is toegerust met den aanleg tot reacties, met instincten, waardoor het zich tegen den dood verzet. Maar sterker dan dit verzet tegen den eigen dood is nog iets anders. De soldaat van een mierenvolk offert zich zonder meer op voor dit volk, het moederdier offert zich op voor de jongen; de boom die gaat afsterven, brengt nog voor het laatst een ongewoon groot aantal vruchten voort. Alles is in de natuur in de allereerste plaats gericht op de instandhouding van de soort en zonder bedenken worden de individuen daaraan opgeofferd.

Bij den natuurverbonden mensch is het niet anders. Zoolang hij gezond is, werken ook in hem instincten. Maar de mensch is, zooals wij zagen, een zelfbewust wezen, in tegenstelling tot het dier. Hij denkt na, wil begrijpen, wil en kan niet alleen uit instinct handelen, maar uit vrijen, scheppenden wil. Bij den gezonden mensch zal deze echter niet tegen de natuur gericht zijn; hij zal geen menschheidswaan huldigen, maar ook zijn wil zal gericht zijn op de instandhouding van zijn ras. Dat is het, wat wij met een "natuurlijke" wereldbeschouwing willen zeggen. Omdat wij als zelfbewuste wezens nu niet alleen uit instinct handelen, maar ook uit vrijen wil, denken wij na over wat wij doen. Wij willen begrijpen en dan komt het vragen naar het hoe en waarom, naar oorsprong en bestemming. Dringend worden die vragen bovenal, wanneer wij tegenover dood en ondergang staan. Niet alle menschenrassen geven dezelfde antwoorden op deze vragen, maar wel komt elk ras steeds weer terug op zijn eigen antwoorden, of, om het anders te zeggen, elk ras vormt zich zijn eigen beeld van deze wereld, beschouwt het leven naar eigen aard, heeft dus in wezen een eigen wereldbeeld en een eigen wereldbeschouwing, ook al veranderen die naar uiterlijken vorm en uitbeelding. Onze wereldbeschouwing wil "natuurverbonden" zijn en daarom heeft het zin ons te verdiepen in het ontstaan van den mensch als een voortbrengsel van het zich op aarde ontplooiende leven.

Wij willen nu zien, hoe de Germaan uit den heidenschen tijd tegenover den ondergang stond. Wel was alles zoo geheel anders dan thans, het heele leven, de trap van ontwikkeling, de techniek en honderd dingen meer. Maar in den grond dachten en voelden zij als wij en dat sterkt ons en doet ons beseffen, hoe het Germanendom door alle katastrophen heen zichzelf is gebleven. Wij zullen dit doen aan de hand van een van de grootste kunstwerken die het Germanendom voortbracht, het eerste drama dat wij kennen op Germaanschen bodem, dat ontstond, toen de heidensch-germaansche wereld onderging in den verwilderden, laten Wikingtijd en een groote geest de overgeleverde stof samenvatte en omschiep tot een wereldomspannend gebeuren, dat ook de goden omvatte, de goden en alle machten en krachten, die in het wereldgebeuren werkzaam zijn. Wanneer wij het onvoorbereid lezen, zeggen ons de namen en voorstellingen nog weinig. Het gedicht is ook niet onbeschadigd tot ons gekomen. Veel er in is duister, veel kan alleen begrepen worden door te vergelijken met verre verwanten uit de Arisch-Indische wereld en veel zal wellicht nooit volkomen opgehelderd kunnen worden. Willen wij het dan toch begrijpen en bovenal, willen wij het vruchtbaar maken voor ons leven, dan hebben wij een man noodig, die niet alleen met grondige kennis is toegerust, maar ook uit eigen aangeboren geaardheid begrijpt en duiden kan, omdat hij van eender bloed is.

In hetgeen nu volgt, zijn de groote lijnen en hier en daar stukken overgenomen uit een artikel van Hauer, dat ons echter nu niet meer ter beschikking staat. Aanhalingsteekens zijn derhalve weggelaten. De enkele stukken uit de Voluspa, die wij er aan toevoegden, zijn naar de vertaling van Jan de Vries (alleen de spelling veranderden wij). Het is niet de bedoeling het heele drama te behandelen, alle gebeurtenissen te noemen, doch te zoeken naar den wereldbeschouwlijken achtergrond, zonder ons in te laten met de wetenschappelijke rechtvaardiging, terwijl wij zooveel mogelijk vermijden mythologische namen te noemen, behalve daar, waar wij een brokstuk van het dichtwerk aanhalen, om iets te doen beleven van den geest die er uit spreekt.

ONDERGANG OF OPGANG.

Wij staan in een tijd van hevige beroering, want wij zien de mogelijkheid van ondergang voor ons. Dat wil nog niet zeggen, dat wij niet gelooven aan de uiteindelijke overwinning, maar dat wil zeggen, dat wij, met ons verstand redeneerend, niet zien, hoe die bevochten zal moeten worden en daardoor houdt de gedachte, dat ondergang ook mogelijk is, ons telkens toch weer bezig. Wij behoeven ons daar niet voor te schamen, mits daar maar iets anders tegenover staat. Dat andere kan niet korter worden samengevat dan in de woorden: 'vertrouwen' en het 'doen van onze plicht'. Dit vertrouwen komt echter niet voort uit een gedachteloos: "het moet immers wel goed komen", want het "moet" niet; dit vertrouwen komt voort uit een ontembaren levensdrang en geloof in de kracht van ons ras. Want hoe zouden wij het anders kunnen verantwoorden, ook nu nog kinderen te verwekken? Het rustige burgerlijke leven kent den ondergang niet van nabij. Daar is alles zooveel mogelijk verzekerd en veilig gesteld - en terecht. Daar kent men den ondergang uit verhalen, uit de geschiedenis, maar niet als directe mogelijkheid in het eigen leven; Thans staan echter niet alleen wij hier tegenover, maar velen, ook onder hen, die zich buiten dezen strijd wilden houden. Maar er is een groot verschil. Voor hen is het een verschrikking, voor ons is het grootsch. Want tijden, die de mogelijkheid van ondergang voor oogen hebben zijn groot, wanneer wij den wil hebben ons er tegen te verzetten met alles wat er in ons is, wanneer wij den wil hebben, niet ten onder te gaan. Voor de meeste burgers is dit alles niet anders dan verschrikking en is het niet groot, want deze menschen zijn ook zelf klein. Groot zijn deze dingen slechts voor hen, die gegrepen zijn door een groote idee, die daarin leven. Wij leven met den ondergang voor oogen en toch met een sterk geloof in het leven. Ondergang beteekent voor ons echter niet persoonlijk verlies, maar ondergang van ons ras. Leven beteekent voor ons niet persoonlijk leven, maar het voortleven van ons ras, hoe dan ook, ook door diepten heen, in onze kinderen. Ook de Germaansche oudheid wist van ondergang en van geloof in het leven; ja, ons ras heeft steeds geweten dat er een levenswet is: een kringloop van geboorte, leven en sterven en dat uit dit sterven weer nieuw leven ontspruit. Het zag deze levenswet in den kringloop van het jaar. Zoo leefde het besef van een wereldorde, waarin dood en ondergang niet allereerst als straf, niet als kwaad werden gezien, maar als noodwendige phase van alle gebeuren, als deel van alle ontwikkeling en alle worden; derhalve als behoorende tot het wezen der dingen zelf, zooals ook Sörensen dat ziet. Zóó zagen zij het leven, zóó was hun geloof en zóó zien ook wij het nu weer, juist nu, nu ook wij tegenover de vraag van ondergang of opgang komen te staan. Andere rassen zagen het anders en leefden anders, naar hun aard, die echter niet de onze kan zijn. Maar wanneer wij dan staan tegenover ondergang of opgang en wij weten van deze levenswet, dan komt de vraag op: kunnen wij ons verzetten tegen ondergang? Kunnen wij het keeren, of is het een star noodlot, onontkoombaar? Ons ras zag het niet als een star noodlot - meestal niet en zeker niet als een willekeurig en wispelturig fatum. Maar er zijn tijden geweest, dat menschen van ons ras den ondergang als onvermijdelijk gingen zien, zooals dit spreekt uit de heldendichtkunst van den Volksverhuizingstijd. Doch ook dan bleven zij rechtop, ook dan streden zij tot het laatst, terwille van hun eer en eigenwaarde. Ook dan nog hadden zij een onverwoestbaren houvast in zichzelf en waren zij niet kapot te krijgen, ook al gingen zij met alles om hen heen ten onder.

HET EEUWIG WORDEN.

De geschiedenis is echter geen star en voor eeuwig vastgelegd gebeuren, het is een eeuwig worden, een ontwikkeling, waar ook wij deel aan hebben, waar wij mede verantwoordelijk voor zijn, die wij mede zullen bepalen. Zoo is het immers ook met het Rijk. Ons Rijk "moet" niet komen, zoo maar vanzelf, het zal er alleen door ons zijn, of het zal niet zijn. Het zal leven in ons en onze kinderen, of het zal niet geboren worden. Maar het zal ook dan alleen kunnen komen, wanneer het overeenkomt met de innerlijke wetmatigheden, die in de geschiedenis zichtbaar worden, wanneer dit Rijk geen willekeur en phantasie is. Wij gaan een nieuwe perioden in, en wij weten dit, omdat wij geloven aan die innerlijke wetmatigheid, aan de natuur in ons, die ons den weg wijst, waarnaar wij luisteren zonder hoogmoed, in vertrouwen en geloof, die ons lot bepaalt, als wij het willen bevechten. Zoo zijn daar dan die twee: het worden langs vaste banen, naar innerlijken wet aan den éénen kant en onze wil te scheppen en te strijden. Dat is geen fatalisme, dat is wat wij noemen onze vrijheid in gebondenheid, namelijk de vrijheid van den scheppenden mensch en de gebondenheid aan de wetmatigheid van het eeuwig wordende leven. Wij denken daar thans wellicht meer dan ooit over, nu ons geloof in het leven zoo sterk moet zijn, dat wij ook nu kinderen willen, die zullen voortzetten wat wij willen bouwen.

VOLUSPA, DE VOORSPELLING DER WOLWA.

De verzameling liederen, die wij de Edda noemen, bevat een gedicht, dat ook over deze dingen doet nadenken: De voorspelling der Wolwa (Voluspa). Het spreekt in mythische beelden; daarom voor ons niet direct verstaanbaar. Het is het eerste Germaansche drama, waar wij kennis van hebben, een godendrama en handelt van den ondergang van een heele wereld. Deze goden zijn eigenlijk vergroote menschen, de menschen zagen hun eigen leven daarin weerspiegelt, doch vergroot en hun eigen lot, dat zich voltrok als onderdeel van een grootsch gebeuren, vol vragen en onbegrepen dingen, die de dichter toch vatten wil, die hij een zin wil geven. Want hij leeft in een overgangstijd, waarin de oude heidensche wereld ten onderging. Dat was de tiende eeuw, toen het christendom met macht opdrong naar het Noorden. Zou deze wereld voor goed ondergaan, of zou er eens een nieuwe wereld herrijzen? De dichter laat de zieneres spreken, nu zij helderziend schouwt en telkens vraagt hij: "Wat weet gij nog meer?" En al wat zij weet en schouwt, daarin is ook de mensch betrokken, want was hij niet verbonden met die goden, waarin de hoogste, Heimdall, den mensch verwekt had, wiens wezen hij in zich droeg? De Germaansche mensch van dien tijd wist van zijn vrijheid, van de beteekenis van zijn doen. Maar hij wist ook van de voltrekkende machten in het wereldgebeuren, van de onzichtbare, ordenende, goddelijke machten, die allerbinnenste werkelijkheid, waaraan ook hij gebonden was, zoo goed als de goden, die ook konden ondergaan, zonder dat deze ordenende innerlijke macht, waar alle leven uit voortkomt, zou ondergaan. Dit laatste en hoogste is het, wat wij dikwijls God noemen; het is wat anders dan de vele goden. De heidensche Germanen wisten van dit hoogste, maar noemden het anders. Nooit hebben zij uit het oog verloren, dat de wereld- en menschengeschiedenis geweven is in het groote weefsel van alomvattende uitgespannen held, waarvan de binnenste drijfkracht de goddelijke grond aller dingen is.

DE DRIE OERMACHTEN.

Dit oudste drama onzer dichtkunst beschrijft nu "ragnarok" Gewoonlijk wordt dit verkeerdelijk vertaald met godenschemering. Wel is waar beschrijft het den ondergang der goden, maar het woord beteekent iets anders en in die beteekenis zit een heele wereldbeschouwing besloten. Hauer omschrijft het met de volgende woorden: de door het lot bepaalde ontwikkeling der goden; hun door de noodwendige orde bepaalden gang. Wat dat zeggen wil, zullen wij nu zien. De wereld ontstaat niet uit het niet; dat vinden wij nergens in de mythologische voorstellingen van ons ras. Er zijn oermachten. Zij komen uit denzelfden levensgrond, die zich ontplooide en ontwikkelde uit eigen kracht. De Voluspa spreekt van drie. Eerst is daar het geslacht der reuzen, in oertijd geboren, zooals het heet:

zand was er noch zee
noch zilte golven,
er was geen aarde,
noch hooge hemel,
slechts gapende afgrond,
en gras nergens.

Het zijn de geweldigen, met elementairen levensdrang. Anders is het geslacht der goden; zij scheppen heilige orde en streven naar hooge en schoone dingen. Zij hielden raad, schiepen Midgaard, de door de menschen bewoonde wereld, zij wezen de zon haar zalen. Ten derde zijn daar de machten, die het streng gebeuren bewerken, de Schicksalmachten. Zoo zijn er dan deze drie: levensdrang, heilige orde en strenge wetmatigheid, die tezamen "rok", dat is dus de ontwikkeling, op gang brengen. Uit deze drie is het weefsel der wereld geweven.

DE OERWET: "ORLOG".

Doch de heilige vrede, die de goden bewaken, wordt verbroken door strijd. Waarom? Door wie? Het komt van de kant der reuzen en de dichter laat de zieneres spreken:

Voor 't eerst ontbrandde
op aarde een strijd,
toen Goden met speren
Gullweig staken,
en haar verbrandden
in de hal van Har.

Deze Gullweig was uit het geslacht der reuzen en de goden dooden haar in Odin's hal. Waarom, dat wordt duidelijk in de volgende woorden:

Heid werd zij geheeten,
waar zij in huis kwam,
voorspellende Wolwa,
tooverkunst wetend,
behekste de menschen,
verdwaasde hun geest,
was best gezien
bij booze vrouwen.

Heid beteekent eenvoudig toovenares en het woord had geen goeden klank. Wolwa is daarentegen een vrouw, die in de toekomst kan zien, een wijze vrouw, met zienersgave. Wat Gullweig deed, was het misbruiken van haar gave en heilig weten, om de menschen te beheksen en te verdwazen. Daar komen de Goden tegenop en dooden haar; de machten der orde komen in verzet en het is ,,orlog". Dit woord beteekent in de taal der Edda nog iets anders dan oorlog in het huidige Nederlandsch, al is het hetzelfde woord; het beteekent vooreerst, oerwet, Schicksal, noodlot. Vergeefsch is het zoeken naar de ontraadseling van dit gebeuren, want het is de oerwet, dat er strijd moet zijn, waar leven zich ontwikkelt. Schoon is de vrede en schoon is de orde der goden, maar de eeuwige wet van het worden is hooger, worden is strijd, ontwikkeling is "orlog".

Zoo groeiden uit deze drie geslachten de machten en tegenmachten, die wel hun oorsprong in denzelfden levensgrond hebben, maar die nu den weg der ontwikkeling gaan en gehoorzamen moeten aan de oerwet. Loki, de vuurgeest, staat tusschen beide in. Door zijn list wordt de lichtende Balder gedood. Dan is er ook strijd tusschen de goden en onheil komt over Walhall. Maar kan het jaar eeuwig lichtend zijn? Moet niet alles den vasten gang van den oerwet gaan, moet niet de zomer wijken voor. den winter, moet de vrucht niet rijpen en afvallen, het jaar zinken en het licht sterven, naar streng bepaalde wet? Wat onheil schijnt, wat tegen ons begeeren en verlangen gaat, is niet anders dan de eeuwige noodzakelijkheid van het worden. Balder moet sterven.
Dat is de oudste mythe van ons ras, de mythe van het stervende en herboren licht, de mythe van het Joelfeest. Maar de groote dichter van de Voluspa zag het als oerwet die alles beheerscht, alle leven, ook dat der goden. Het was echter niet een bedenksel van hem alleen, maar oude overlevering, oud wijsdom, dat hij herschiep tot één kunstwerk, kort voordat deze wereld onder zou gaan in de woelingen van een anderen tijd. Als dan het noodlot voortschrijdt, zoeken de goden naar den zin, naar de richting, die het neemt. Dan nemen zij hun besluiten, opdat hun daden zich zullen voegen in dit gebeuren. Telkens weer heet het:

De radende goden
gingen ter rechtstoel,
de heilige goden
hielden toen raad....

Wat is dan dit noodlot, dat de goden trachten te doorgronden? Het is geen dwang, die van buiten komt, geen Oostersch fatum, maar het is het worden zelf, het zich ontwikkelen van de schepping uit de diepte van den levensgrond, waarin alles wat leeft werkt en worstelt. Zóó zeer zijn deze twee, noodlot en schepping één, dat de taal van de Edda één woord heeft, dat voor beide gebruikt kan worden; skepna (van denzelfden stam als ons schepping). Hierin schuilt een diepen zin: slechts door strijd is er ontwikkeling en de schepping is strijd en worden, ontplooien. De mensch - in de Voluspa goden _ moet den zin zien te vatten en de richting die het neemt trachten te doorgronden, om zoo zijn daden in te voegen in het groote worden van dit "skepna".

Ook dat andere woord, "orlog", kan noodlot beteekenen, maar ook krijg. De mensch beleeft dood en oorlog als aangrijpende gebeurtenissen, als inbraak in het rijk van vreedzaam groeien en bouwend scheppen; een gebeuren, dat vernieling en wanorde brengt. Maar er is geen leven zonder dood, dat is de oerwet, het zou immers verstarren en niet tot wording komen, het zou zich niet ontplooien er zou geen noodlot zijn, maar ook geen leven Zoo is daar dan nergens een worden en wassen zonder strijd: Waar een Rijk wil komen, daar begint een worstelen; waar een duizendjarig Rijk wil worden, daar gaat het om leven of dood, om opgang of ondergang, dat is de oerwet. Daar begint een strijd om grondslagen om ruimte, om recht, om eigen aard. Daar is de oerwet aan het werk daar ontbrandt noodwendig oorlog. Dan voegen zich de krachten van het levend organisch, gericht op groote dingen, die in wording zijn, niet achtend de kleine begeerten van den dag. Het kan dan angstwekkend aanzwellen tot een orkaan tot een wederzijdsch vernietigen, tot een vertreden van alle orde, van alle wet, van liefde en eerbaarheid en list en ruw geweld treden in hun plaats. Dan breekt het geboeide ondier uit de onderwereld los en Midgaard wordt bedreigd door de machten van Uitgaard:

Garm huilt heftig
voor Knipahellir:
de boei zal scheuren
de wolf zal springen.

Telkens klinken deze regels op in het verloop van het gebeuren. Angstwekkend is het gehuil van den hond, die waakt voor den ingang van de onderwereld. Dan zal het onheil zijn loop nemen, Fenrir zal zich losrukken, de wolf, waarvan het heet:

In 't Oosten de oude
zat in het Ertswoud
en baarde daar
Fenrirs gebroed:
van die allen
zal één worden
de zonverslinder
een slechte demon.

Die oude is een trollenvrouw en die zonverslinder, dat is oeroude Indogermaansche mythologie. Maar er gebeurt nog meer:

Broeders zullen strijden,
elkander verslaan
en bloedverwanten
bloedschande plegen;
overspel heerscht
op heel de aarde,
zwaardtijd, speertijd,
schilden splijten!
windtijd, wolftijd….

Al deze verschrikkingen en verwildering ziet de dichter en hij ziet. Het nòg als de oerwet, want uit den ondergang zal nieuw leven opbloeien.

HET GELOOF IN HET LEVEN.

Een wereld ging ten onder, maar iets bleef: "de voeder des levens". dat is de Levensboom, dat oude zinnebeeld van het leven, waarin volgens een andere overlevering "Leven en Levensdrang" geborgen waren, opdat deze twee nieuw leven zouden verwekken, Geloof in het leven beheerscht heel het wereldbeeld dezer heidensche Germanen. Waren niet zelfs de Noodlotsvrouwen, de drie Nornen, die ook het lot der menschen bepaalden, dochters van Mögthrasir en beteekent die naam niet letterlijk: drang tot nakomelingschap! Zoo stond dan boven tragiek en ondergang zegevierend het geloof aan het leven, wordend door alle tijden en zoo zag ook de dichter van de Voluspa het nieuwe leven in een betere toekomst:

Op ziet zij komen
ten anderen male
etgroene aarde;
beken schuimen,
de arend schiet
van de rotsen
op visch belust.
Akkers wassen
schoon ongezaaid
het booze wordt beter
Balder zal komen....

Midden in het wereldomspannende worden staat de Germaansche mensch. Veel is er, waarvan hij den zin niet ziet, maar hij wil toch vorschen, tot hij de richting ontwaart, die dit worden neemt, met een moedig hart. Hij wil leven, hij wil bouwen, hij wil het schoone en hooge en in hem leeft de drang tot scheppen, een drang, die hij erfde van de goden. Maar streng is de wetmatigheid die alles beheerscht, deze natuurlijke orde der dingen, waaraan de mensch gehoorzamen moet, wil hij niet zinloos te gronde gaan. Hij is vrij om te scheppen, maar in die gebondenheid, die de taal der Edda "orlog" noemt. Wanneer het Noodlot zichtbaar wordt, wanneer het huilen van Garm onheilspellend tot ons doordringt en het booze de overhand wil krijgen.... ook dan willen wij vasthouden aan ons geloof in het leven en willen wij trachten naar den zin, opdat wij handelen in de richting die de ontwikkeling wil nemen. Doch daartoe is noodig groote levenswijsheid, inzicht in het wezen der dingen, zoowel zienersgave als practische zin. Dat is meer dan Fingerspitzengefühl, dat is verwant met instinct, dat uit het onbewuste komt, dat ons leidt met een groote zekerheid zonder dat wij weten vanwaar dit inzicht komt.

Ons is in dezen tijd nog geen man gegeven die deze gaven bezit, die den zin van dezen tijd doorgrondt; die geen wilde phantasiën naloopt, maar die steeds de noodwendige ontwikkeling ziet om vervolgens alle krachten te verzamelen om daarheen door te stooten, waarheen het "noodlot" wijst. Een leider die ons het geloof in het eeuwig wordend leven sterkt, het leven van ons ras, dat uit onze kinderen verjongd zal opbloeien, wanneer wij weten te handelen volgens de innerlijke levenswet, in natuurverbondenheid, naar onzen Germaanschen aard zooals ook onze verre voorvaderen dit deden.