De Trojaburchten
Trojaburchten vindt men in tal van Europese landen
en in India. Deze beeltenissen zijn een vorm van doolhoven. Deze worden
gevormd door hagen of gewoon door stenen die men op de grond langs
elkaar legt. Afbeeldingen op rotsen en stenen alsook (Griekse) munten
komen ook voor. Men kan deze doolhoven indelen door hun soms minimale
verschil: De echte doolhof waar men keuzes moet maken tussen gangen
waarvan slechts een de juiste is en waar men anderzijds in een doodlopende
gang terecht komt; cirkels die elkaar omringen, de zogenaamde concentrische
cirkels; tweedimensionale spiralen; driedimensionale spiralen met
als einddoel de top van een heuvel; spiralen waarmee men het middelpunt
van de doolhof bereikt maar waar ook een spiraal in de omgekeerde
richting vertrekt waarmee men de uitgang kan bereiken; de doolhof
waar men in steeds omkerende kleinere cirkels loopt waar men uiteindelijk
het middelpunt bereikt, de eigenlijke Trojaburcht.
De vorm van de Trojaburcht vindt men soms terug in (rituele) dansvormen. Deze dans kan in verband gebracht worden met de zon en meer bepaald met het voorjaar, de Lente.
Concentrische cirkels heeft men teruggevonden op Zweedse rotstekeningen. Elders in Noord-Europa zijn (graf)stenen gevonden met zulke cirkels. Daaronder bevond dan een urne met de stoffelijke overschotten. De stenen dienden als deksels van stenen doodskisten.
Beeltenissen van spiralen duidden wellicht op de voorjaarsommegangen om de levenskracht der natuur aan te wakkeren. Een rituele handeling in het voorjaar was om een voor rond de akkers en landen te trekken die men het komende jaar zou gebruiken. Vandaar dat de beeltenis van spiralen vaak aangetroffen worden met een beeltenis van een ploeg.
De spiraalvorm treft men ook aan op heuvels, walburchten.
Men volgt de spiraal, het pad, om zo het middelpunt, de heuveltop,
te bereiken. Deze worden teruggevonden van Nederland tot in Rusland.
Een Trojaburcht is een doolhof van cirkels met een gemeenschappelijk middelpunt. Men gaat steeds verder in een kleinere cirkel die dan weer in de andere richting draait om zo het middelpunt te bereiken.
Andere namen voor beeltenissen in verband met Trojaburchten zijn: Trojin, Tröborg, Troytown, Walls of Troy, Caer Droida, Triborren, Troiburg, Trubenschloss, Treiborg, Zwedenring, Zwedensprong, Jekkendanz, Windelbahn, Wunderburg, Wunderkreis, Wunderlage, Zauberkreis, Steinkranz, Babylon, Wielandhuis, Jöttendans, Reuzendans, Kronkelburcht, Kronkelbaan, Wonderkring, …
De naam Troja komt wellicht niet van de legendarische
stad Troje. Troja zou slaan op troija (harnisk trôija) wat in
Zweeds een ijzeren borstharnas is wat verwant is met het Nederlandse
woord trui en het Duitse troyer (matrozenoverhemd). Een Trojaburcht
is dus een omheinde plaats. Een tweede mogelijkheid is een dans dat
in Frankrijk Tresce (Treschier, Trescar) heet in Duitsland Troi of
Troyer. Verder vinden gelijkaardigheden in de verscheidene Germaanse
talen: Oud Hoogduits drajan; Gotisch Thraien; Middelengelse throwen;
Platduits draien; Deens dreje; Zweeds dreja en in het Fries drai en
Keltisch troian. Deze woorden slaan allemaal op draaien wat in verband
met de rituele (ronde)dansen kan gebracht worden. Ook in de Kempen
is er een nog een mannendans bekend onder de naam ‘Trawantelen’.
‘Tra’ staat voor pad en ‘wantelen’ voor wentelen,
‘zich al draaiend over het pad begeven’.
Vast staat dat in deze Trojaburchten gedanst werd. Soms al huppelend, waarvan later een hinkelspel voor kinderen is ontstaan. Deze Heidense praktijken werden tijdens de kerstening door de kerk bestreden. Zoals veel volksgebruiken is de kerk daar niet in geslaagd. Zo werden ook Trojaburchten in de kerk verwelkomd. Ook werden kathedralen op heilige plaatsen neergepoot. Ook op Trojaburchten dus. Sindsdien zijn Trojaburchten bijvoorbeeld in kerken te vinden in Finland en Italië. Nu worden zij aan gelovigen uitgelegd als een boeteweg die al knielend moet worden afgelegd. De middeleeuwse Trojaburchten verschillen daarin dat zij hun cirkelvormigheid plaats ruimen voor vierkanten en achthoeken. Veel kerken hebben later deze zinnebeelden verwijderd onder de mom dat zij door kinderen als speelplaats werden gebruikt.
Waar
en wanneer Trojaburchten zouden zijn ontstaan is moeilijk te bepalen.
In Italië is een vaas bekend met een Trojaburcht die reeds 2600
jaar oud zou zijn. In Scandinavië zijn rotstekeningen gevonden
met daarop Trojaburchten van een 3600tal jaren oud. Deze is duidelijk
Indo-europees van oorsprong.
De Trojaburcht was ook de plaats
voor inwijdingsrituelen.
Men
moest een rituele dood sterven, het volgen van de Trojaburcht naar de kern (de
dodenwereld) ervan, om weer terug te komen als ingewijde persoon, de terugkeer
uit de Trojaburcht. Als men een Trojaburcht als een zonnerad beschouwt en het
middelpunt daarvan de onderwereld, dan kan men stellen dat deze het jaarwiel
vorenstelt. De Zon die afsterft (Midwinter) om dan opnieuw weer geboren te worden
(Midzomer).
Het hinkelen als kinderspel berust op Heidense wortels, zoals reeds hierboven vermeld. In veel gevallen bestaat de hinkelbaan uit negen vakken waarvan de verste hemel wordt genoemd en de dichtste hel. Er bestonden immers negen werelden bij de Germanen waar de onderwereld en het Walhalla uiteraard het verst uiteen lagen. Er bestaan ook hinkelbanen in spiraalvorm waar het middelpunt ‘de dood’ heet. Het hinkelen is een jongere vorm van het eertijds dansen in de Trojaburcht. Ook de Zevensprong zou hiermee in verband komen te staan!
In het midden van de Trojaburcht vindt men wel eens een boom of een grote steen. Hier kan men de verering door de Germanen aan bomen stenen herkennen. Meestal was het een Lindeboom, gewijd aan Freya. Freya was onder andere godin van de dood en wedergeboorte. Hier weer het verband met de rituele doodservaring.