De Kruiden en Winter- en Zomerzonnewende

Vijfvingerkruid maakt onveranderlijk deel uit van de vijftienkruidige Sint Jansruiker en beschermt tegen tovenarij.

Wie op een zonnige nazomerdag belandt in de puinen van St. Baafsabdij te Gent, en ziet, hoe langs de oude, grijze muren in verbluffende overvloed de manshoge stokrozen te bloeien staan, waar het vlijtige gezoem van dikke hommels weg en weer schiet; hoe de reinvaren daar pronkt met haar sierlijk ingesneden bladeren en haar diepgele bloemhoofdjes, die hier en daar te lande “hemdknoopjes” worden genoemd; hoe in spleten en gotische boogvensters de stinkende gouwe zich heeft genesteld en de indruk maakt van zovele “Schöllkraut”-plaatjes van Dürer; en hoe een laatste, grillige akelei vlamt aan de voet van het slanke, wiegelende vingerhoedskruid; die kan plotseling op die stille binnenkoer een speciaal iets voelen levend worden: de atmosfeer van een lang vervlogen tijd, toen in al die kloostertuinen met eerbied en geduld de geneeskrachtige gewassen werden gekweekt, waarvan de oude kruidboeken zulke wonderbare eigenschappen weten te verhalen. En als men dan in die oude geschriften verder snuffelen gaat, - al doen de woorden rozemarijn en lavendel, basilicon en marjolein, tijm en anijs poëtisch en ietwat onwezenlijk aan, al past de verteltrant nog zó volkomen bij die van oude balladen - dan voelt men zich na die lectuur eigenlijk ontgoocheld, indien men tenminste gehoopt had te stoten op een begraven schat van oud en onvervalst volksgeloof. Wel belooft ons Jacob van Maerlant in “Der Natueren Bloeme” dat, na opsomming van alle mogelijke (en onmogelijke!) diersoorten een paar boeken over de leer der planten zullen spreken, en wel

“Dachtende van bomen die int wout
Wassen harde menechfout;
Die neghende sal u ghewaghen
Van bomen die specie draghen;
Die tiende sal bedieden tcruut
Dat heeft menegherhande Virtuut”.

Maar de aloude Germaanse plantenheel kunde komt hier niet meer zuiver voor: herinneringen aan lectuur van Latijnse natuurhistorici hebben het oorspronkelijke beeld vertroebeld, gelijk gewas overwoekerd wordt door het verderfelijke warkruid, dat in den volksmond duivelsnaaigaren heet. In dezelfde trant zijn de latere kruidboeken gesteld: aanhalingen uit Plinius zijn vermengd met wijsheid uit eigen volksaard, tot het geheel een hopeloze warboel van wonderbaarlijke recepten, die evengoed dienen om de duivel af te weren als om bliksem van het huis te houden, als geneesmiddel tegen “pine ende quetsure” en tegen een “quaden gheest”. Het oude volksgeloof echter, waar bleef dat? Onze voorouders kenden toch heilbrengende planten! Talrijke verbodsbepalingen, door de k*rk uitgevaardigd, leren ons, dat rond de helft der 7de eeuw nog aan bomen magische kracht werd toegekend, dat kransen, van bepaalde kruiden werden gedragen tegen allerhande kwalen, dat lichten werden ontstoken nabij bronnen en bomen, waarvan “ene linde groene” wel de voornaamste was. Er werd verboden en nog eens verboden, en als dat niet afdoende bleek, werd het oude cultuurgoed “verbogen”: de traditie degradeerde ten dele: de heilige bomen werden voortaan als vervloekt aanzien, duivels en heksen (ook “gedegradeerde” wezens, met een veel roemrijker verleden) woonden er in of hadden er macht over. Met de oorspronkelijke heilbrengende eigenschappen van bloemen en kruiden werd op fantasievolle manier omgesprongen: goede kwamen op rekening van heiligen, min goede werden aan den boze, de “Unholde”, zoals men toen zei, toegekend. De maretak, de altijd groene, die wondere eigenschappen heeft en daarom later in verband met de duivel werd gebracht.Ten dele echter bleef de natuurverbondenheid bewust- of onbewust voortbestaan, en werden bepaalde kruiden ingeschakeld in de geplogenheden van de seizoenenwisseling, in de feestelijkheden van Midwinterviering en Zomerzonnewende in de eerste plaats.

De planten, die in de Germaanse levensruimte een “rol speelden bij de Winterzonnewendefeesten, waren hoofdzakelijk hulst en maretak. Beide zijn van oudsher heilige planten geweest, misschien wel omdat zij, temidden van een jaargetijde waarin duisternis en stormen hoogtij vierden, door hun blijvende groene bladeren herinnerden aan wat eens geweest was: een zomer vol zonneschijn, vol vrolijk bruisend leven, vol klaterenden overmoed. Hier en daar wordt in Vlaanderen verteld dat de hulst door de duivel werd geschapen: de zwarte heer was afgunstig op al de wonderen der plantenwereld, en wou zijn scheppingskracht ook eens tonen: al wat hij kon presteren echter, was de kreupele, met doornen bezaaide hulst. De vroeger heilige maretak onderging eenzelfde ontwijding: iedereen kent de rol door deze eigenaardige, halfparasitaire plant gespeeld in de Baldersage: hoe het, in de hand van de blinde Hodur, het werktuig wordt, waarmee Balder, de mooiste en blondste onder de Goden, wordt gedood. In de Middeleeuwen werd echter de duivel er weer mee gemoeid, en zo wordt de mistel in Zuid-Limburg “duivelsnest” genoemd, terwijl hij in Oost-Vlaanderen “duvelsgers” heet. Een weinig dichter bij zijn oorspronkelijke, magische eigenschappen staat het gebruik, van de maretak een wichelroede te snijden, t.t.z. een gevorkt takje, dat, gehanteerd door bepaalde personen, in staat was aan te tonen, waar zich water of metaalertsen in de bodem bevonden. De tijd rond de Winterzonnewende was heilig voor onze voorouders, de kerstnacht erfde later al zijn wonderbaarlijke attributen. In Vlaanderen gaat nog steeds de legende rond, dat temidden van den kerstnacht het hoornvee in de stallen knielt, en men in de bijenkorven een zacht gezoem hoort! In deze nacht moet men een stevige gevorkte twijg van de hazelaar uitkiezen, en hem met één ferme trok van een splinternieuw mes afsnijden: een tovervork bekomt men op die manier, die net zoals de misteltwijg als wichelroede kan dienstig zijn, maar eveneens het huis tegen invallende bliksem, donder en hagel behoedt, en een uitstekend wapen is tegen adders en ander “quaet fenijn”. En terwijl men dan toch op ronde is in deze heilige stonde, kan men tegelijkertijd een twijgje van de vlier - de boom van Vrouwe Holle, - wee hem, die hem op zijn erf uithakt! - mee naar huis nemen, want het zal vast en zeker bloeien op Maria-Lichtmis (2 februari).

Links: In het midden van de vijftien kruiden prijkt de forse, trotse Stalkaars of Gele Toorts. Midden: Van Midzomertijd tot diep in de Herfst staren U langs dijken, weiden en bouwland de grote ogen van de Sint Jansbloem aan. Rechts: Het Vingerhoedskruid, sieraad van oude tuinen en van oudsher bekend heilmiddel tegen hartaandoeningen.

De andere pool, waaromheen het jaar wentelt, is de Zomerzonnewende, de dag, waarop de lichtgod Balder werd gedood, waarop het jaar over zijn maximum heen gaat, en bij de weelde van Hoogzomer de eerste vage weemoed gemengd is van dingen, die onherroepelijk voorbij zijn ... Na de kerstening werden de feestelijkheden der Zomerzonnewende uitgesmeerd over de periode, die verloopt tussen Sint Jan (24 / 06) en Sint Pieter (29 / 06). De Sint Jans- en Sint Pietersvuren vlammen (of vlamden!) dan op, en de menigvuldige Sint Janskruiden worden dan geplukt, tot kransen gewonden en ofwel in het Midzomervuur verbrand, ofwel in de huizen opgehangen tot het weren van die ontelbare boze geesten, die het de mens dikwijls zo moeilijk maken op zijn levenspad. Daar de Zonnewendenacht (en door verschuiving later de Sint Jansnacht) iets bijzonders was, mocht ook op dit ogenblik de wichelroede worden gesneden. En verder bloeide dan de varen. Deze plant had reeds lang de aandacht getrokken van den buitenmens, daar hij “noch Bloemen noch Saedt voort en brenght” en zich toch vermenigvuldigt. Zo had zich langzaam de sage verbreid, als zou hij bloeien in den Sint Jansnacht, tussen de zesde en zevende slag van middernacht. Gemakkelijk was het nochtans niet, dit bloeien gade te slaan, want allerlei boos gespuis zwierf in de omtrek van de varens rond; huilend en gierend trachtten heksen en geesten de stoutmoedige onderzoeker op de vlucht te jagen: hij kreeg als eerste waarschuwing een paar tikken op het hoofd, daarna een paar klinkende oorvijgen, en was zijn moed daarmee nog niet gebroken, dan werd hij als een tol in de rondte gedraaid, waarbij zijn haardos diende als middelpunt voor de beschreven cirkel. Geen wonder dus, dat het plukken van de varenbloem niet licht gelukte! En toch was het avontuur de uitgestane angst waard: onmiddellijk na de bloei rijpte het zaad en wie dit kon machtig worden, kon zich o.a. onzichtbaar maken en kwam zonder veel moeite de meest verborgen schatten op het spoor. Daarom werd het verzameld “met sommighe belesinghen, coniuratien ende hooghe woorden”. Later werd dan het volksgeloof op de hele plant overgedragen: varenbladeren werden tijdens perioden van droogte verbrand om wolken op te roepen en regen te doen vallen; dat dit geloof algemeen was, bewijst een brief van Karel I van Engeland, waarin Zijne Majesteit aan de boeren van een bepaalde streek verbiedt op die en die dag varenkruid te branden, daar hij zijn uitstap niet door regen wil bedorven zien.

Rechts: In de ruiker van zeven en zeventig kruiden bekleedt Vrouwenmantel een ereplaats. Midden: De strakke symmetrie van het geurige kruid Reinvaren leent zich uitstekend tot het binden van Midzomerkransen. Rechts: Met een driedubbele ring van bitter-zoet of alfsrank moeten de Sint Jansruikers omringd worden, willen zij hun volle toverkracht doen gelden.

Als “Sint Janskruid” figureren in de volksmond een hele massa planten: typisch is voor al deze gewassen, dat hun bloeitijd valt na de Zonnewende. Men moet al goed uit de ogen kijken en menig kwartiertje zoeken, wil men op den langste dag ergens op een beschut plaatsje de eerste groot-open sterreogen van het hertshooi (hypericum perforatum) aantreffen, dat op droge, grazige of heideachtige bodem de hele Hoogzomer door, tot half Herfstmaand, in kwistige overvloed de wegen zal omzomen en de dijken in gouden gloed zetten. Hetzelfde geldt voor de bijvoet, de kamille, het hondsgras, de ridderspoor, het ijzerhard: als kruiden waren zij van belang, hun bloemen speelden geen rol. Misschien hangt dit samen met de mooi-ingesneden vorm, die hun bladeren zonder uitzondering vertonen, en met de etherische oliën of andere reukstoffen, die ze alle in mindere of meerdere mate bezitten. Daar het bovengenoemde hypericum perforatum of hertshooi een van oudsher heilige plant was, werd hij later in verband gebracht met de boze: als “jaagtenduivel“ of “duvelsjacht” is hij nog hier en daar bij het volk bekend, verder als “duivelsnaaldesteken”: de oliekliertjes, welke zovele doorschijnende puntjes vormen in het bladmoes, zouden niets anders zijn dan de naaldenprikken, waarmee de duivel het plantje doorzeefde, uit nijd, omdat het wonderkracht had, en vooral tegen heksen en boze geesten beschermde. Men hing het daarom aan de zoldering of stak het kruisgewijs voor het venster. De mens, die het in de strijd bij zich droeg, was beschermd tegen elke houw of steek; geen brand of bliksem kon het huis vernielen, waar het hing. De bijvoet bewees de mens eveneens grote diensten. Dodoens verhaalt dat “een reysende man, die Byvoet over hem draeght oft aen sijn lijf ghebonden heeft, gheene vermoetheyt ghevoelen sal” en verder “dat al deghene die Byvoet bij hun hebben, door gheen vergift noch door gheen tooverije oft schaedelijck dier beschaedight konnen worden; selfs oock gheen hindernisse van de hitte der Sonnen en sullen ghevoelen”. Hang boven de deur van uw huis bijvoetwortels, en er kan geen boze komen; tegen alle duivelarij, heksenkunst, brand en dieven zijt gij beschermd. Niet alleen in de Nederlanden was bijvoet een kruid, dat in de jaarkrans een rol speelde (in de omgeving van Gent is het ook onder den naam “meiboom” gekend), de Duitse naam “Sonnwendgürtel” spreekt voor zichzelf. Het Sedum purpureum staat ook als Sint Janskruid bekend. Deze vetplant heeft de - voor zijn familie kenmerkende - eigenschap, grote voorraden water in haar weefsels op te stapelen, waardoor zij, onverwelkt, blijft doorgroeien als men een tuiltje ervan in huis hangt als beschermmiddel tegen onweer. Oude geschriften verhalen ons, hoe al deze kruiden werden samengevlochten tot een krans; keek men door zo'n krans heen zijn geliefde aan, dan kreeg men diens karakter en inzichten onverbloemd te zien. Een herinnering aan deze geplogenheid leeft misschien nog voort in het kinderversje, dat volgens De Cock en Teirlinck (Kinderspel en Kinderlust in Zuid-Nederland) in West-Vlaanderen werd genoteerd:

Mei, Mei met blaren gelaan,
Geef mij een ei, 'k zal deure gaan.
Geef je mij geen, 'k zal blijven staan.
Vrouwken vrouwken schoone,
Kijk al door de kroone ... enz.

Als dusdanig zijn de Sint Janskransen bijna uit het volksleven verdwenen. Wat echter verwant ermee lijkt, zijn de “kruidwissen” of “kroedwissen” die op de dag vóór O. L. V. Hemelvaart (14 Oogstmaand) worden geplukt, voor zonsopgang en zonder dat een mes erbij te pas komt. Deze tuilen worden in Zuid-Limburg (en ook in Karinthië) door de pastoor op Halfoogst gewijd. Bij naderend onweer worden ze in brand gestoken, en met de rook verdrijft men de aanstormende boze. Alle kruiden, welke voor het vervaardigen dezer “kroedwissen” dienen, hebben meestal als gemeenschappelijk kenmerk, sterkriekend te zijn. In het midden van de ruiker staat de Odinskop of alant; daarnaast prijken boeltjeskruid en valeriaan, bijvoet, “onser vrouwen bedtstroo” en de geurige reinvaren. Het geheel wordt omwonden met een drievoudige elfsrank of alfsrank, zoals de eerste Nederlandse naam van het bitterzoet luidt. Elders worden vijftien kruiden verzameld: hemelbrand (gele toorts, Unholdenkerze) staat dan in het midden; naast lischdodde prijken o.a. jaagdenduivel, bevernel, duivelsbeet, karwij, hertsmunt, reinvaren, wijnruit, mattenbies, alfsrank en vijfvingerkruid. Sommigen stelden zich hiermee ook nog niet tevreden, en zo horen wij dan schrijvers gewagen van zeven en zeventig kruiden: tot de meest bekenden hiervan behoren, naast de hoger genoemde, vrouwenmantel, vrouwenschoentje, wegewachter en ossentong. Een ander recept nog, van Hans Schulze, uit de helft der 17de eeuw, zegt, dat men op Sint Jansdag acht planten moet verzamelen, waarvan de voornaamste zijn: marjolein, look, nagelkruid, en duivelsbeet, ook alle planten, waaraan de “Viant” om een of ander motief een gloeiende hekel had ... Volksfantasie en volksgeloof: een wonderbaar mengsel van exact-wetenschappelijke waarnemingen en niet te ontwarren valse voorstellingen. Twee totaal verschillende levensactiviteiten zijn aan dit gemeenschappelijke substraat ontsproten, en een synthese tussen beide is niet gemakkelijk te vinden: want enerzijds kunnen we een logisch-doorlopende lijn trekken vanuit de oude kruidboeken naar onze moderne pharmacopeeën, waar in gezuiverde vorm kristalliseerde, wat in het heterogene materiaal aan waarheid stak; anderzijds hangen wij met honderd en één gevoelsargumenten aan de aloude plantencultus, zoals we die uit ontelbare fragmentjes en nietigheidjes, met liefde en geduld, kunnen opbouwen, en voor wiens behoud en her-beleving in volksvoelende middens reeds meer dan één lans gebroken werd.

Mr. M. De Ridder

(Uit 'Hamer', 1ste jaargang, nummer 6, Germaansche Werkgemeenschap Vlaanderen)